Territoriale geesten in Daniël 10?
Herkomst
Dit is een onderdeel van hoofdstuk 2 Demonische machten in het Oude Testament uit het boek M.J. Paul (red.), Geestelijke strijd: demonie en bevrijding in christelijk perspectief. Uitg. Boekencentrum te Zoetermeer.
Demonische machten in het Oude Testament
Door enige romans van Frank Peretti is er grote aandacht ontstaan voor territoriale geesten: demonen die een bepaald gebied onder hun beheer hebben. Peter Wagner roept christenen op deze geesten te bestrijden, zodat bijvoorbeeld evangelisatiewerk in een gebied veel effectiever zal zijn (vgl. paragraaf 5.3.4).
In de literatuur hierover wordt steeds verwezen naar Daniël 10. Daniël bidt en vast drie weken lang. Dan verschijnt een blinkende gestalte aan hem die vertelt dat God zijn gebed al vanaf de eerste dag verhoorde. Een engel ging op weg om Gods woord mee te delen, maar hij werd tegengehouden door de vorst van het koninkrijk van Perzië. Toen kwam Michaël, een van de belangrijkste vorsten, te hulp, en de engel kon naar Daniël toegaan. Deze engel vertelt dat hij terugkeert om te strijden tegen de vorst van de Perzen en dat de vorst van Griekenland zal komen.
Wat voor soort vorsten zijn bedoeld? Hebben Calvijn en W.H. Shea gelijk dat aardse vorsten bedoeld zijn? Dit is onwaarschijnlijk, want het woord vorst (sar) heeft in het boek Daniël vaak betrekking op hemelse machten (8:11, 25, 10:13, 21, 12:1, vgl. Joz. 5:14-15 en Jes. 9:5). Voor koningen (bijv. 10:13) wordt een ander woord gebruikt en een oude Griekse vertaling (versie Theodotion) vertaalt met archoon, een term die Paulus in het NT voor hemelse wezens gebruikt.
Daniël bidt in het 3e jaar van koning Kores (Cyrus). Wanneer we de geschiedenis van die tijd reconstrueren, blijkt dat de Israëlitische ballingen op grond van een edict van Kores (in zijn eerste jaar) naar het land Israël mochten, maar dat de tempelbouw niet mogelijk was (Ezra 4:4-5, 24). Met name Cambyses, zoon en mederegeerder, had hierin een negatieve invloed. Het is aannemelijk dat Daniël vanwege deze problemen van zijn volksgenoten zich afzonderde voor gebed en vasten.
In vers 13 staat de merkwaardige uitdrukking dat de engel werd gelaten bij de koningen van Perzië. Waarschijnlijk worden hiermee bedoeld: Kores, de koning van Perzië en zijn zoon Cambyses, inmiddels al koning van Babylon en mederegeerder. Deze koningen waren op de plaats waar de engel tegenstand van de vorst van Perzië ervoer. Dat maakt het aannemelijk dat de demonische vorst zijn intenties probeerde te realiseren door de twee koningen. Deze relatie tussen hogere en aardse activiteiten wordt ook elders in het boek Daniël genoemd. Het eerste vers van hoofdstuk 11 zegt: Ik echter, ik stond in het eerste jaar van Darius de Meder hem tot een helper en toevlucht. Het is mogelijk dat het woordje hem betrekking heeft op Darius, maar aannemelijker is de relatie met uw vorst Michaël in het voorafgaande vers (10:21). Michaël, de engelvorst van Israël, had de hulp van Gabriël nodig gedurende de regering van Darius, zoals Gabriël Michaël te hulp heeft geroepen in zijn strijd tegen de vorst van Perzië. Tijdens de regering van Darius werd Daniël in de leeuwenkuil geworpen, maar de leeuwen deden hem geen kwaad, omdat een engel de muil van de leeuwen toesloot (Dan. 6). In die tijd kwam de engel Michaël te hulp, terwijl in het derde jaar van Kores de hulp andersom is. Dit geeft de lezer een ongewoon inzicht in de activiteit van engelen ten gunste van Gods volk. De engel krijgt al te maken met de engelvorst van de Grieken, terwijl het Perzische rijk eerst nog machtiger zal worden, voordat het opgevolgd wordt door het Griekse rijk van Alexander de Grote.
Wanneer we de inhoud van de bekendmaking van de engel nagaan, zien we het volgende: Ten eerste geeft de engel aan Daniël inzicht in de strijd in de hemelse gewesten (10:13,20-21 en 11:1). Ten tweede openbaart hij de historische consequenties van de bovenhistorische strijd: 11:2b-45. Ten derde wijst hij op de hemelse verdediging van het volk Gods (12:1-3). De aardse strijd voor een nieuwe wereldmacht, met vervolging van Israël (11:2b-45), veronderstelt een hemelse strijd. Terwijl Daniël 1-5 de geschiedenis van de wereldrijken schildert, ontvouwen de hoofdstukken 6 tot 12 (speciaal 10-12) de realiteit van een conflict dat woedt in de bovenaardse realiteit (vgl. Jes. 24:21). De strijd tussen goede en slechte engelen heeft gevolgen voor de rijken op aarde.
Vanuit het bovenstaande kan niet geconcludeerd worden dat de engelvorsten over geografische gebieden regeren met vaststaande grenzen. De aartsengel Michaël wordt beschreven als de grote vorst die uw volk beschermt (12:1). Hij beschermt dus een volk en niet een gebied. Michaël blijft de beschermengel van het volk van God, of Israël nu in het beloofde land was of in ballingschap te midden van de volken (vgl. ook Op. 12:7). De engelvorsten over Perzië en Griekenland regeren eerder over sociaal-politieke eenheden dan over geografische gebieden. Zij regeren over imperialistische rijken waarvan de grenzen wisselen. Ze zijn gericht op expansie en niet op een vastgesteld territorium. Ze kunnen beter rijksgeesten dan territoriale geesten genoemd worden.
Deze bijbelse visie verschilt nogal van die bij de buurvolken. Daar werd de identiteit van een volk direct gedefinieerd in termen van de relatie tussen een god en zijn gebied. De bewoners van dat gebied kwamen op de tweede plaats. Vanuit die heidense gedachtegang moet iemand bij vertrek naar het buitenland andere goden gaan dienen (vgl. 1 Sam. 26:19-20). De vorst van de Perzen verdedigde echter geen geografische grenzen tegenover de engel, maar politieke en persoonlijke zaken.
Het is van belang deze zaken te noemen. De laatste tijd wordt er in sommige kringen veel aandacht gegeven aan het bestrijden van demonen. Volgens Peter Wagner zijn er drie vormen van geestelijke strijd tegen de demonen: de vorm die op grond van Daniël 10 gevoerd moet worden is: strategic-level intercession, die te maken heeft met de strijd in de hemelse gewesten. De tweede vorm is ground-level spiritual warfare wat inhoudt dat demonen uitgeworpen worden uit personen, terwijl de derde vorm de naam draagt occult-level spiritual warfare, waarmee demonische krachten bestreden worden die vrijgekomen zijn door occulte activiteiten.
De eerste vorm probeert de namen te weten te komen van de demonen die een bepaald gebied bezet houden. De geestelijke strijd heeft de bedoeling de regio te zuiveren en open te stellen voor een meer effectieve evangelisatie.
Deze driedeling valt echter vanuit de Bijbel moeilijk aan te tonen (Ch. Lowe, D.E. Stevens). Trouwens, Daniël noemt de namen van de engelvorsten niet, hij wist niet eens wat er aan de hand was. Toen hij het hoorde, vernam hij alleen de titels, en niet hun namen. De profeet bad niet tegen de kosmische machten, maar hij bad voor het volk van God en de vervulling van Gods heilshandelen (vgl. Ef. 6:18-20). De nadruk lag op de beloften die God aan zijn volk gegeven had (Dan. 10:12, vgl. Jer. 25:11 en 29:10) en hun vervulling op aarde. Deze beloften werden vervuld, al is het niet direct. De macht van de aardse rijken bleef voorlopig nog groot. Toch staat God er boven. Hij overziet de geschiedenis en ruimde de obstakels weg, zodat de tempel gebouwd kon worden.
De boodschap van Daniël 10 is, dat de biddende mens betrokken is bij een strijd die hemel en aarde omvat. Achter de gebeurtenissen in onze geschiedenisboeken ligt een andere, geestelijke wereld. De engelen houden zich blijkbaar met politieke zaken bezig, al zien wij die samenhang niet. De profeet Elisa bad of God de ogen van zijn knecht opende, zodat hij de engelen kon zien (2 Kon. 6).
Geschreven door Dr. M.J. Paul, 2002