Macht en geweld in het OT

Vraagstelling

De vraagstelling van deze lezing is ingegeven door de boeken Jozua, Richteren en Samuël. We komen daar immers heel wat keren tegen dat mensen macht over elkaar uitoefenen en elkaar doden. Er staat zelfs dat de Israëlieten de opdracht hebben de Kanaänieten te verdelgen. Een vroegere hoogleraar OT noemde dat het uitmoorden van het land Kanaän. Het is duidelijk hoe hij er over dacht. Hoe gaan wij met dergelijke gewelddadige passages om? Kan een christen, die geroepen is tot vrede, nog iets met deze gedeelten? Past het onderwijs van Jezus in de Bergrede ons niet meer dan het OT? Maar als de christenen altijd het OT als Woord van God aanvaard hebben, wat moeten we dan met de passages waarin mensen opgeroepen worden tot het doden van andere volken? Hoe kunnen wij God daarin leren kennen, of gaat het daar om een andere god dan de God en Vader van onze Here Jezus Christus (vgl. Marcion)?

Inventarisatie

In het boek Jozua gaat Israël het beloofde land binnen. Het volk komt bij Jericho aan, en krijgt daar de opdracht iedereen in de stad te doden, dit gebeurt ook, en zelfs de dieren worden gedood (Joz.6:17,21). Dit is in overeenstemming met de woorden die Mozes in het boek Deuteronomium gesproken heeft (o.a. Deut.7:1-4). Daar is sprake van de ban. Dit is geen verbanning naar het buitenland, maar de dood en de vernietiging, als teken van toewijding aan God. Even later wordt Ai verbrand en de inwoners gedood. Dan komen de Gibeonieten met een list bij Jozua en wordt er een verbond gesloten. Later blijkt hoe Israël daarin misleid is. Op de vraag van Jozua waarom ze dit gedaan hebben, krijgt hij als antwoord: Omdat aan uw knechten ten stelligste werd medegedeeld wat de Here, uw God, zijn knecht Mozes geboden had, namelijk om het gehele land aan u te geven en al de inwoners van het land voor uw aangezicht te verdelgen (Joz.9:24). Na een zuidelijke en noordelijke veldtocht geeft het boek Jozua een overzicht, waarbij de bevolking van Kanaän genoemd wordt. Alles namen zij gewapenderhand in. Immers, de Here had het zo beschikt, dat zij met een verstokt hart de strijd met Israël aanbonden, opdat men hen, zonder genade, met de ban slaan en hen verdelgen zou, zoals de Here Mozes geboden had. (11:19-20).

Het boek Richteren begint met enige veroveringen door de Israëlieten, maar reeds in het eerste hoofdstuk staan heel wat voorbeelden van ongehoorzaamheid, omdat de Israëlieten de Kanaänieten niet verdrijven of doden, maar gewoon laten leven. Er komt een engel in de plaats Bochim en klaagt het volk aan. Hij geeft aan dat de Kanaänieten Israël tot een valstrik zullen zijn (Ri.2:1-5). De rest van het boek Richteren geeft een aaneenschakeling van problemen te zien. Het is zelfs zo dat de Israëlieten onderling slaags raken, en zo ernstig verzwakken t.o.v. de andere volken.

Dan komt het boek Samuël. Nadat Saul gezalfd is tot koning, krijgt hij de opdracht: Ga nu heen, versla Amalek, slaat al wat hij bezit met de ban en spaar hem niet. Dood man en vrouw, kind en zuigeling, rund en schaap, kameel en ezel. (1Sam.8:3). De koning doet dat niet, waarop hij te horen krijgt dat het koninkrijk van hem afgescheurd zal worden. Samuël doodt vervolgens eigenhandig Agag van de Amalekieten.

Dr. S. Janse over het OT

In oktober is een boek verschenen van Dr. Sam Janse, onder de titel De tegenstem van Jezus. Over geweld in het Nieuwe Testament. (Zoetermeer, 2006). Daarin gaat het eerste hoofdstuk over geweld in het Oude Testament. Nadat de auteur enige passages geciteerd heeft, stelt hij de vraag: Wil God dat mensen een hele stad uitroeien? Zijn antwoord luidt: Het vraagt grote voorzichtigheid als het gaat om de vraag wat God wil. Misschien mogen we iets vrijmoediger zijn als het gaat om wat God niet wil. Vanuit datgene wat ik zie als de voortgaande beweging in de bijbel, in Oude en Nieuwe Testament, zeg ik op de bovenstaande vraag: nee. God wil niet dat stadsbevolkingen en stammen massaal afgeslacht worden, soms inclusief bejaarden, vrouwen en kinderen. Ook Israël, het uitverkoren volk kan daartoe niet geroepen zijn. Als sommige schrijvers van oudtestamentische teksten dat zo hebben voorgesteld, hebben ze hun eigen kleinmenselijke gedachten vermengd met wat ze van God en zijn heilsplan hadden ontdekt. Maar zodra Godswoord tot mensenoren komt en in mensenwoorden doorgegeven wordt, is het verbonden en vermengd met mensengedachten De eigenlijke vraag die we bij bijbelteksten met een hoog geweldsgehalte moeten stellen, is niet: hoe is het mogelijk dat God dit gebood? maar : hoe is het mogelijk dat mensen dachten dat God dit gebood? (p. 23-24).

De oplossing die Janse hier aandraagt, is nogal ingrijpend. Dan zijn de genoemde passages uit Deuteronomium, Jozua, Richteren en Samuël geen goddelijke opdracht, maar kleinmenselijke interpretatie, waarbij mensen dachten dat God dit gebood. De vraag rijst, waar dan de grens ligt: is heel de gedachte van verovering van het land Kanaän dan een kleinmenselijke gedachte? Was het Gods bedoeling wel dat Israël in dit land zou wonen? Ik trek de lijn bewust zo door, omdat dit er alles mee te maken heeft. Het land ontvangen en de bestaande inwoners verdrijven of doden zijn twee kanten van dezelfde zaak.

Het wekt geen verbazing dat de visie van Janse samenhangt met zijn bijbelbeschouwing. Daaruit licht ik de volgende punten (p. 18-19):
a. Een groot deel van de boeken Jozua, Samuël en Koningen is na de verwoesting van Jeruzalem geschreven (dus in of na de Babylonische ballingschap).
b. De geweldteksten zijn volgens Janse een terugprojectie van wat Israël in de ballingschap heeft ervaren.
c. De geschiedschrijving van Israël is profetische, d.w.z. geen modern wetenschappelijke geschiedschrijving. Dat betekent volgens hem, dat er een tegenstrijdigheid is tussen Jozua en Richteren. Immers, in Jozua wordt het zo voorgesteld dat het land Kanaän in een paar grote veldtochten veroverd is. In de boeken Richteren en Samuël blijkt dat Israël pas geleidelijk het land veroverd heeft. Dat betekent dat het geweld veel minder grootschalig is geweest dan het boek Jozua suggereert. Echter: dit is een onjuiste tegenstelling, zie uitleg SBOT 3.

In reactie op deze drie punten:
a. Wij dateren de eerste twee boeken vele eeuwen eerder en hebben ook een hogere waardering van de historiciteit ervan.
b. Terugprojectie is om diverse redenen onwaarschijnlijk. Het geweld dat ervaren werd, was afkomstig van de Assyriërs en Babyloniërs. Waarom moest dat teruggeprojecteerd worden op de Kanaänieten? En m.n.: uitsluitend de Kanaänieten?
c. De typering van de geschiedschrijving is blijkbaar profetisch of modern wetenschappelijk. In onze bijbelcommentaar geven we aan dat beide typeringen geen recht doen aan de geschiedschrijving in Jozua en de volgende boeken. Die geschiedschrijving is naar onze overtuiging wel gebaseerd op feitelijke gebeurtenissen, maar tevens sterk gekleurd door de doelstelling van de bijbelboeken. De weergave is inderdaad niet modern wetenschappelijk, als dat betekent zo neutraal mogelijk en met buitensluiting van het bovennatuurlijke. Evenals bij alle andere geschiedschrijving in het oude Nabije Oosten is het godsdienstige er geheel mee verweven. Dat is echter iets anders dan een fantasierijke terugprojectie, alsof het slechts om de strekking zou gaan.

In onze bijbelverklaring gaan wij ervan uit dat God inderdaad de opdracht tot vernietiging van de volken in Kanaän heeft geboden. Dit is voor veel gelovigen een ernstig probleem en daarom wil ik graag enige punten aanreiken ter verklaring, in het besef dat wij Gods daden nooit geheel kunnen doorgronden.

Het aangekondigde goddelijke oordeel over de Kanaänieten

Terwijl Abram als vreemdeling in Kanaän verblijft, krijgt hij te horen dat zijn nageslacht dat land als blijvend bezit zal ontvangen (Gen.12:5-7, 13:14-17). Later volgt de boodschap dat dit nog niet direct het geval zal zijn, want zijn nageslacht zal eerst nog lange tijd vreemdeling zijn in een ander land en zelfs onderdrukt worden. Maar het vierde geslacht zal terugkeren. Eerder is de maat van de ongerechtigheid van de Amorieten niet vol (Gen.15:16). Amorieten is hier een algemene term voor de bevolking van Kanaän. Deze uitspraak houdt in, dat de intocht van de Israëlieten als een goddelijk oordeel over de ongerechtigheid van de bewoners voltrokken wordt. God beoordeelt als de Schepper van hemel en aarde alle volken (vgl. Rom.1:18-32). De Amorieten zullen voortgaan met zondigen tot hun schuld volkomen is, zodat de door God gestelde grens bereikt wordt. In het boek Leviticus worden concreet de Molochdienst en veel seksuele onbetamelijkheden genoemd als aanleiding voor Gods strafuitoefening (Lev.18:27-28, 20:23). Vanaf dat stadium kan God hen, zonder onrechtvaardig te worden, uit Kanaän verdrijven. Het land Kanaän spuwt volgens de genoemde teksten zijn inwoners uit.

Een volgend bijbelgedeelte dat van belang is, is Gen. 9:25, waar Noach zegt: Vervloekt zij Kanaän, een knecht der knechten zij hij voor zijn broeders. Er zijn veel vragen te stellen bij deze uitspraak, maar in Gods Naam spreekt Noach een oordeel uit over Kanaän en zijn nageslacht. Dat oordeel wordt mede gerealiseerd door de verovering van hun land door de Israëlieten.

De nakomelingen van Abraham ontvangen het land niet als rechthebbenden, maar als genadegave. Zij ontvangen dit land op de condities van het verbond, als zij dit overtreden staat hun hetzelfde lot te wachten. Dat komt ook naar voren in de passages over zegen en vloek. De Israëlieten zullen Gods zegen ervaren en in het land Kanaän mogen blijven leven als ze gehoorzamen, maar bij ongehoorzaamheid worden ze uit het land verdreven (Lev.26:33-39, Deut.28:63-68), al is daarna bekering en terugkeer mogelijk (30:1-3).

Wanneer moderne mensen slechts vanuit het volkenrecht redeneren, kunnen ze dit nooit begrijpen. Alles is godsdienstig gemotiveerd. Israël voltrekt Gods oordeel aan de Kanaänieten, maar kan zelf ook weer onderworpen worden aan een dergelijk oordeel.

De ban - vernietiging

De Israëlieten moeten de Kanaänieten met de ban slaan. De ban of vernietiging komt niet voort uit wraak of begeerte, maar berust op een goddelijk bevel, en kan in verschillende graden worden voltrokken. De strengste maatregel is de totale vernietiging van alle mensen, vee en goederen en wordt bijvoorbeeld op Jericho toegepast (Joz.6:17-19, vgl. ook Deut.13:15-17 en 1Sam.15:3). Het is ook mogelijk dat alleen de mensen gedood worden, maar dat de Israëlieten het vee en de bezittingen meenemen (Deut.2:34-35, 3:6-7). De minst zware vorm, voor de Israëlieten slechts buiten Kanaän van toepassing, is dat alleen de mannen gedood worden (20:13-15).
Diverse hedendaagse bijbeluitleggers laten zich hierover kritisch uit en veroordelen de vernietiging van andere volken en hun cultusvoorwerpen. C.J. Labuschagne schrijft zelfs: Het doodwensen van andere volken is theologisch gezien een bedenkelijk middel, dat nooit het doel, het zuiver houden en bewaren van de eigen identiteit, kan heiligen. Volgens sommige verklaarders valt het wel mee omdat Deuteronomium pas in de tijd van de koningen geschreven is, en het boek Jozua nog later, zodat dit voorschrift nooit in praktijk gebracht is, het zou meer symbolisch bedoeld zijn. Maar als we aannemen dat Mozes deze goddelijke opdracht heeft gegeven en Jozua die ten uitvoer heeft gebracht, moeten we uitgaan van de realiteit van dit geweld.

Godsdienstige achtergronden

Om dit bevel tot uitroeiing te begrijpen, kunnen we niet uitgaan van relaties tussen mensen of volken onderling, maar alleen van Gods oordeel over de zonden van volken. De Israëlieten mogen niet zelf bepalen welke volken zij sparen en welke niet. Het strafgericht over de Kanaänieten staat vermeld in Genesis en Leviticus. Maar de Edomieten en Moabieten moeten gespaard blijven. Daarom is het onjuist in het algemeen te spreken over het doodwensen van andere volken. Hoewel soms het motief van afzondering gebruikt wordt, zodat de volken geen verleiding kunnen uitoefenen, is dit niet de enige reden. De praktijken van de heidenvolken in Kanaän worden een gruwel genoemd waarover het oordeel van God komt. Voor de uitvoer van dit oordeel gebruikt Hij hier zijn volk Israël. Maar Israël staat niet boven de wet en zal zelf ook gestraft worden wanneer het dezelfde zonden bedrijft. In Deut.13:15-16 wordt de zwaarste vorm van ban geëist ten opzichte van een afvallige Israëlitische stad. Het boek Habakuk vermeldt dat de Chaldeeën Gods middel zijn om het zondige Israël straffen. Het optreden van Israël bij de intocht in Kanaän valt daarom te vergelijken met de zondvloed waardoor de zondaren gestraft worden, met de straf over de goddeloze steden Sodom en Gomorra en ook met de ballingschap.

Voor ons druist dit doden van de Kanaänieten in tegen het volkenrecht, maar een oorlog was voor Israël en voor de andere volken in die tijd niet zomaar een kwestie van politiek, maar evenzeer van godsdienst, terwijl bij ons die benaderingen uit elkaar zijn gegroeid. Wat met de ban getroffen werd, werd gewijd aan God. Omdat de godsdienstige aspecten bovenaan staan, en het oefenen van gerechtigheid belangrijker is dan het behalen van buit, zijn de toenmalige (wrede) oorlogen in sommige opzichten beter te verantwoorden volgens godsdienstige normen dan diverse oorlogen in onze tijd, ook al wordt nu meer rekening gehouden met mensenrechten.
B.J.G. Reitsma schrijft in zijn boek Wie is onze God? Arabische christenen, Israël en de aard van God (Zoetermeer, 2006) ter opscherping (al is het eenzijdig): Moderne kritiek op God, vanwege zijn vermeend gewelddadig handelen in het Oude Testament (Joz. 6), doet soms hypocriet aan. In onze eeuw zijn we gemiddeld in staat geweest elk jaar meer mensen uit te roeien dan Israël in de hele verovering van Kanaän heeft gedood. Elke dag sterven er meer mensen de hongerdood, vanwege de hoge rentelast op de schuld van derdewereldlanden aan het Westen, dan er mensen omkwamen bij de verovering van Jericho. Elk jaar worden meer kinderen door ouders, familieleden of bekenden mishandeld en misbruikt, dan er mensen omgekomen zijn bij de zogenaamde heilige oorlogen in het Oude Testament. Het komt hypocriet over dat we, door Jozua te bekritiseren, pretenderen te weten wat moreel juist en onjuist is (vgl. Rom. 2:21, 24). (p. 243-244).

Ook moeten we beseffen dat de ban in Israël nooit een algemene opdracht geweest is de gehele heidense, ongelovige wereld voor God te veroveren en alle heidenen uit te roeien. Hier ligt een groot verschil met de jihad in de Islam, waarmee volgens veel Korandeskundigen een gewelddadige uitbreiding van het geloof bedoeld kan zijn.

Het is mogelijk nog een stap verder te gaan in een poging dit volksgericht te begrijpen. In Deut.18 worden allerlei vormen van occulte praktijken genoemd, zoals waarzeggerij en het oproepen van geesten. Deze zaken zijn voor Israël volstrekt verboden: Want ieder die deze dingen doet, is de HERE een gruwel, en ter wille van deze gruwelen drijft de HERE, uw God, hen voor u weg (vgl. ook 20:18). Deze praktijken om in contact te komen met de geestelijke wereld worden uiterst serieus genomen. Er is een geestelijke wereld, die niet met God te maken heeft. De Bijbel geeft aanwijzingen dat de afgodsbeelden niet slechts van hout en steen zijn, maar dat er geestelijke krachten achter schuilgaan (vgl. Ps.82, Dan.10, 1Kor.10:20). Wanneer de afgodendienst van de Kanaänieten niet slechts een afwijking is van de ware godsdienst, maar in feite een verering van demonen en van satan, zijn de volstrekte tegenstelling en de vernietigende straf beter te begrijpen.

Hobrink

In zijn boek Moderne Wetenschap in de Bijbel (Hoornaar, 2005) geeft Ben Hobrink diverse voorbeelden van de inferioriteit van de cultuur van de Kanaänieten. Hij wijst op de vrije seksuele moraal, die zich uitte in gewijde prostitutie, bestialiteiten, zinnelijke naaktloperij, slangenaanbidding en kinderoffers. Een belangrijke reden voor de verwerping van de Kanaänieten ligt volgens hem in de vele parasitaire geslachtsziekten die mede door de vrije seksuele moraal ontstonden. De Israëlieten liepen het gevaar hierdoor besmet te raken en daarom was uitroeiing nodig (p. 27-33).
De situatie van de Kanaänieten, zoals Hobrink die presenteert, berust gedeeltelijk op feiten. Er was inderdaad een vrije seksuele moraal en er waren verschillende seksuele perversiteiten. Het is echter de vraag of die in vergelijking met andere volken zo extreem waren. Het is twijfelachtig of bij de Kanaänieten meer geslachtsziekten waren dan bij andere, omliggende volken. Los van dit alles is het onmogelijk vast te stellen dat de religie van de Kanaänieten slechter was dan andere vormen van polytheïsme.
De Bijbel geeft niet aan dat de Kanaänieten grotere zondaars waren dan anderen, maar wel dat zij vanwege hun zonden gestraft worden.

Aard van het geweld

Het Oude Testament kent veel geweld, en het Hebreeuwse woord hiervoor, chamas (Gen. 49:5), is tegenwoordig maar al te bekend. In de literatuur van de wereld rondom Israël komen we talloze scènes en beschrijvingen tegen, waarin het geweld verheerlijkt wordt. Heroïsche vorsten bewijzen hun kunnen door niets en niemand ontziend machtsmisbruik, en dwingen daarmee respect af. De atmosfeer in het Oude Testament is geheel anders, want geweld wordt daar nooit verheerlijkt. Hoeveel rechtvaardige oorlogen David ook gevoerd heeft, hij mag de tempel niet bouwen, omdat hij een man is van de strijd, van het bloed. Deze beoordeling is ongekend in de wereld van het oude Nabije Oosten.
De God van Israël handelt soms zeer streng, maar nooit willekeurig en onberekenbaar, zoals in menige literaire tekst over de goden uit de wereld rondom Israël. Hij is de Heilige en zijn geweld dient hoge doelen. Dit is ook tot troost van de gelovigen.

Van belang is ook dat de opdracht tot doden van de Kanaänieten slechts eenmalig is, namelijk bij de intocht in het beloofde land. Eventueel kan nog gewezen worden op Sauls opdracht de Amalekieten om te brengen, eveneens als straf voor hun zonden (1Sam.15). Deze periode van geweld en van uitoefening van de ban is echter tijdelijk. Wanneer het volk eenmaal veilig woont in het land Kanaän en het koningschap gevestigd is, is deze periode voorbij. Dan valt de nadruk op de positieve omgang met de vreemdelingen.

Het Nieuwe Testament

In het Nieuwe Testament liggen er andere accenten in het omgaan met andere volken: daar worden geen machtsmiddelen meer gebruikt om mensen uit te roeien, maar moet de vreemdelingschap in deze wereld in praktijk gebracht worden. Het kwade moet wel degelijk bestreden en buiten de gemeente gehouden worden door middel van de tucht, maar de gemeente van Christus wordt niet gebruikt om goddelijke oordelen uit te voeren. De nadruk ligt op het behoud van mensen en de wereldwijde verkondiging van het Evangelie. De Bergrede roept de gelovigen op vredestichters te zijn (Mat.5:9). Daar liggen behoorlijke verschillen tussen Oude en Nieuwe Testament.
Toch spreekt ook het Nieuwe Testament over Gods heiligheid en zijn toorn over de zonde. De straf kan uitgesteld worden, maar het eindgericht komt en dan zal God afrekenen met alle goddeloosheid. Het boek Openbaring geeft veel voorbeelden van straffen, al worden ze daar niet door medemensen, maar door engelen voltrokken. Daarom kunnen we geen grote tegenstelling maken tussen Oude en Nieuwe Testament als het gaat over Gods gericht over de zonde.

Terugkomend op Janse. Hij verdedigt in zijn boek de stelling dat het godsbeeld van het NT net zo gewelddadig is als van het OT en de Koran, maar nergens wordt door evangelisten en apostelen opgeroepen tot geweld om het geloof in de Messias Jezus te verbreiden of het Koninkrijk van God te realiseren. Dat moet te maken hebben met de geestelijke nalatenschap, de tegenstem van Jezus.

Janse noemt twee bewegingen in de Bijbel in de loop van de geschiedenis: 1) het geweld verschuift van de mensen naar God zelf, 2) het geweld verschuift van het heden naar de toekomst. Het betekent dat het inzicht doorbreekt dat geweld ter wille van Gods Koninkrijk alleen bij God in goede handen is en dat God dit geweld uitstelt tot zijn laatste oordeel.
De auteur wijst op de dag des Heren: de dag waarop God zowel Israël als de volken oordeelt.
In de constatering van een verschuiving wil ik Janse wel bijvallen. Maar dat maakt het allemaal niet minder ernstig. Het eeuwige gericht is erger dan de gewelddadige beëindiging van het leven hier.
Janse vervalt niet in de simpele tegenstelling het gewelddadige OT en het vredelievende NT, want hij beseft goed dat het boek Openbaring buitengewoon gewelddadig is, en dat Jezus vele malen gesproken heeft over de hel en de buitenste duisternis (158, 163).

Wie deze zaken ernstig neemt, zal ook de oudtestamentische teksten over het gericht onder ogen zien. Geen gemakkelijke teksten en ze blijven ons moeite geven. Misschien is dat ook maar goed. Wie te vanzelfsprekend met deze teksten omgaat, ervaart geen huiver. Maar wie in de diepten van het gericht ziet, hoe God aan het werk is, en door gerichten heen werkt naar zijn toekomst, zal des te meer daarop gericht zijn. Ook zal dat bewogenheid met onze medemens geven. Haast u om uws levens wil. In de huidige genadetijd mogen mensen tot God gaan, om gered te worden. De belofte is, dat niet slechts enkelingen, zoals Rachab in Jericho, maar velen gered zullen worden en het koninkrijk Gods zullen ingaan.

Geschreven door Dr. M.J. Paul, 2006

Ga terug naar het overzicht van artikelen.