Kennismaking met Gijs van den Brink

De Studiebijbel en Gijs van den Brink: 40 jaar samen op weg

Vanaf het allereerste begin is Gijs van den Brink betrokken bij de Studiebijbel. Net afgestudeerd als theoloog aan de Universiteit van Utrecht, werd hij in 1981 gevraagd om te gaan werken aan het commentaar op Matteüs. Samen met de classicus Henk Courtz en projectleider Hans Bette dacht hij het concept voor de StudieBijbel commentaren uit. Vijf jaar later werd het eerste deel in 1986 gepresenteerd.

Met welke gedachten in het achterhoofd ben je toendertijd in dit project gestapt?
“Ik vond het geweldig boeiend om daarin iets te kunnen betekenen. Ik was net als theoloog afgestudeerd met als hoofdvak Nieuwe Testament. Dat Herman ter Welle bezig was met de Griekse tekst en een interlinie vertaling vond ik razend interessant. Juist omdat mensen nu zouden kunnen lezen wat er in het Grieks stond geschreven. Ik was zo geïnteresseerd dat ik een hele tijd als vrijwilliger aan het project heb gewerkt zonder dat ik er een vergoeding voor kreeg”.

Het idee voor de Studiebijbel is te herleiden op de Noorse Bijbelleraar Thoralf Gilbrant die een vijfdelig reeks bij de Bijbel had geschreven. Het doel was in eerste instantie om deze reeks te vertalen. Hoe keek je daar tegenaan?
“De kwaliteit moest beter; het commentaar van Gilbrant was te eenvoudig, te simpel. We konden dat niet zomaar vertalen. Wanneer je de Griekse tekst liet zien, moest daar ook een grondige, diepgaande uitleg op volgen. Gilbrant had een voorliefde voor handschriften en kerkvaders, terwijl wij vooral de Griekse tekst wilden laten spreken voor de gewone Bijbellezer. Ons doel was de tekst dichtbij de mensen brengen. Omdat we naar de Griekse tekst keken, moesten we ook naar de verschillen in de tekst kijken. Er zijn duizenden handschriften van delen van het NT, die vervolgens terecht zijn gekomen in verschillende tekstedities. We hebben uitgezocht hoe we de Griekse tekst en de handschriften wilden weergeven, zodat het zinvol was voor de gebruikers. We zijn daarvoor bij prof. Van Bruggen geweest en hebben hem om advies gevraagd. Zijn advies hebben we grotendeels opgevolgd. En zo zijn we aan de slag gegaan. We hebben verder nagedacht over het referentiesysteem en het kolommenmodel. Naast de Griekse tekst staat een kolom  met tekstedities en handschriften, daarnaast staan de geselecteerde Bijbelvertalingen waarbij de verschillen zichtbaar worden gemaakt. Dit wordt gevolgd door het commentaar en de artikelen. We hebben uitgebreid gestudeerd op hoe we elk Grieks woord in de woordstudies wilden bespreken. Het was een voortdurende afweging wat te bespreken in het commentaar en wat in de woordstudies, zodat er geen overlappingen zouden ontstaan. Dat voorwerk heeft al met al vijf jaar geduurd en tegelijkertijd werkten Henk Courtz en ik aan het commentaar en de interlinie vertaling met woordstudies bij Matteüs. Daarna is het team met auteurs uitgebreid en zijn we van start gegaan met de reeks op het Nieuwe Testament.”

Wat maakte de Studiebijbel uniek in Nederland?
Twee dingen. Er was geen bijbelcommentaar in het Nederlands dat de taal van evangelische christenen sprak en door hen makkelijk gelezen kon worden. Daarnaast was een uitgave van de Griekse tekst met daaronder een “woord-voor-woord” vertaling, een vergelijk van meerdere bijbelvertalingen en woordstudies van elk Grieks woord uniek voor Nederland, legt Van den Brink uit.

Je rol was in eerste instantie het schrijven van het commentaar. Ben je dat blijven doen of is dat in de loop van de tijd veranderd?
“Vanaf 1985 kregen we vijf, zes auteurs die gingen schrijven. Mijn schoonvader, H. van de Giessen uit Barneveld, die net gepensioneerd was, vergeleek elf Nederlandse, Engelse, Duitse en Franse bijbelvertalingen en noteerde elk verschil voor de kolom bijbelvertalingen. Door de jaren heen hebben wel 25 verschillende auteurs commentaren en artikelen geschreven. Hier werd een jarenlange samenwerking met Hans Bette geboren, die ook tot op heden nog bij het project betrokken is. Samen met Hans bespraken we met elke auteur per hoofdstuk de geschreven uitleg, , zodat er een eenheid tussen de commentaardelen ontstond. We wilden hen bij de les houden, zodat werd vastgehouden aan de methode van de historische exegese. Het was wel een uitdaging om de verschillende auteurs met de neuzen dezelfde kant op te krijgen. Als lakmoesproef vroegen we hen vooraf hoe ze dachten over het koninkrijk van God. Met name voor de evangeliën was de ‘al wel en nog niet’ visie op het Koninkrijk voor ons van belang. Daarvan had prof. Herman Ridderbos mij diep overtuigd. Terugkomend op het schrijven: ik deed aanvankelijk samen met Hans Bette de eindredactie, later werd Arie Zwiep toegevoegd. Henk Courtz en later Jan Willem van der Jagt (als classici) en Marco Rotman waren eindredacteur voor de vertaling van het Grieks en de tekst van de woordstudies. Dat is door de jaren heen mijn taak geweest: meelezen en als eindredacteur feedback geven. Daarnaast schreef ik ook veel achtergrondartikelen en het commentaar bij veel hoofdstukken van het boek Openbaring”, aldus Van den Brink.

Hoe keken de collega professionals aan tegen de uitgave van de eerste delen?
“We schreven niet voor de wetenschap. De doelgroep was de geïnteresseerde Bijbellezer. We schreven en schrijven in begrijpelijke taal. Door de docenten op de universiteit werd de Studiebijbel hoegenaamd niet gebruikt, maar wel door de studenten. Dat we deze doelgroep voor ogen hadden en dat ons het ook lukte om hen te bereiken, werd door de professionals wel bevestigd. Overigens hebben we door de input van oudtestamentici als Mart-Jan Paul en Cees C. Stavleu een andere aanpak gekozen bij de commentaren op het Oude Testament. Daar hebben we wel verschillende opvattingen naast elkaar besproken, als ook voetnoten en een literatuurlijst opgenomen. Toen werd de serie iets meer geaccepteerd in de wetenschappelijke wereld. Maar ik heb er nooit spijt van gehad dat we in het Nieuwe Testament zo begonnen zijn. Prof. Herman Ridderbos, die meerdere keren bij de presentatie van een nieuw boekdeel aanwezig was, zei dat zijn werk nooit echt was geaccepteerd in de wetenschappelijke wereld. Maar zijn boeken zijn in vele talen vertaald en worden tot op de dag van vandaag nog steeds door een groot publiek gelezen. Wetenschappelijke commentaren daarentegen hebben een veel minder groot bereik. Ridderbos waardeerde ons werk enorm.”

Je hebt met veel auteurs samengewerkt. Deze mensen konden op thema’s verschillende overtuigingen hebben. Zijn er momenten geweest dat het theologisch spannend werd bij het schrijven van het commentaar?
“Met elke auteur werd het geschreven hoofdstuk doorgesproken met de redactie. Daarna ging diegene weer aan het werk om alle opmerkingen te verwerken en dat is eigenlijk altijd goed gegaan. Want we beperken ons tot historische exegese, wat zegt deze tekst tegen de eerste hoorders. Moeizaam was wel het boek Openbaring, met name rondom het thema Antichrist en Nero. Was de boodschap van het boek Openbaring voor de eerste eeuw bedoeld of is die op de toekomst gericht? Openbaring was wel een bevalling en we stonden wel eens tegenover elkaar, maar we zijn eruit gekomen. De uitkomst was ‘en … en’. Ik heb dat proces bijzonder gewaardeerd en ben dan ook niet ontevreden over het resultaat. Arie Zwiep heeft een aantal hoofdstukken geschreven en daarnaast hebben Pieter Lalleman en ik er een aantal voor onze rekening genomen”, aldus Van den Brink.

Heb je wel eens gedacht om ermee te stoppen? Is er wel eens een hobbel geweest die geweldig moeilijk was?
“Nee, ik heb nooit een moment gehad waarop ik wilde stoppen. De vorige uitgever viel in 1997 in een faillissement en ik heb toen zonder loon doorgewerkt. Ik geloofde er heilig in dat dit project zou doorgaan en overgenomen zou worden. De curator heeft geprobeerd het onder te brengen bij andere uitgevers. Hans Bette en ik gingen dan mee, maar dat is uiteindelijk niet gelukt. De curator zag onze bevlogenheid en ik weet nog dat hij toen zei: ,,Als ik het aan jullie overdraag, weet ik zeker dat het doorgaat.” En zo is het ook gebeurd. Hans Bette, Arie Zwiep en ik hebben als redactie toen een stichting opgericht en dat is het Centrum voor Bijbelonderzoek geworden. De mensen die op de laatste delen vooraf hadden ingeschreven en hadden betaald, waren  door het faillissement hun geld kwijt. We hebben hen moeten vragen om opnieuw de laatste delen te betalen, want anders konden wij die delen niet produceren. Op een enkeling na, hebben alle drieënhalf duizend abonnees dat gedaan. Daardoor waren wij in staat om door te gaan”, kijkt van den Brink terug.

Hoe kijk je nu terug op het faillissement? Had je het willen overslaan of was het een zegen?
“Al met al heeft het ons wel meer vrijheid gebracht. Toen we op onszelf kwamen te staan, konden we onze eigen weg gaan. We werden naast redactie ook uitgever. Daarna konden we in het commentaar op het Oude Testament verschillende visies naast elkaar zetten en literatuurlijsten toevoegen. Daarvoor werd dat niet belangrijk gevonden door de uitgever en nu konden we dat als Centrum voor Bijbelonderzoek onder leiding van Mart-Jan Paul als eindredacteur OT wel doen. Het had ook mijn sterke voorkeur en in het Nieuwe Testament zijn we daar later dan ook mee begonnen. Op dit moment doen we dat bij de revisie van het Nieuwe Testament helemaal grondig. Het eindresultaat blijft natuurlijk wel hetzelfde, maar door de onderbouwing krijgt de serie een meer wetenschappelijke uitstraling. Zeker, we blijven schrijven voor de geïnteresseerde Bijbellezer, maar alles is wel wetenschappelijk verantwoord. Ik ben er trots op dat we dat zo hebben kunnen doen”, antwoordt Van den Brink.

Daarna is de Studiebijbel ook aan een digitaal avontuur begonnen. Kun je daar iets meer over vertellen?
“Ik ben daar wel de drijvende kracht achter geweest om hier heel vroeg mee te beginnen. Ik zag dat veel mensen de Online Bible gebruikten. Daarop verschenen allerlei commentaren van lang geleden. Wij schreven een recent commentaar met een goede en moderne uitleg die rekening hield met recente ontwikkelingen in de Bijbelwetenschappen. Ik vond het geweldig jammer dat dat niet digitaal breed toegankelijk was. In 2004 begonnen we met een uitgave op CD-Rom. In 2009 werd deze vervangen door de online versie. Daarna is er met een Spaanse vertaling begonnen. Uit onze achterban kwamen veel mensen die ons daarbij hebben geholpen, zowel technisch als via sponsoring. Het aantal gebruikers van de Studiebijbel is daardoor toegenomen. Dat werd nog veel meer nadat in 2018 de app voor de mobiel was gelanceerd.”

Waarom is er gekozen om de Studiebijbel in het Spaans te vertalen?
“We wilden de Studiebijbel de wereld inbrengen en dachten na waar de meeste behoefte was. Vrij snel kwamen we erachter dat in Latijns Amerika heel weinig Bijbelmateriaal aanwezig is en dat er daar een snel groeiende jonge kerk is. Dat geldt voor Iran en China ook, maar de hoeveelheid mensen die Spaans spreekt is zo groot, dat we het er snel over eens waren om de Studiebijbel in het Spaans beschikbaar te maken. Het werd een enorm project en we werken hier nog steeds aan”, aldus Van den Brink.

Terugkijkend, had je ook zaken anders willen aanpakken met de kennis van nu?
“Er zijn weinig dingen waarvan ik zeg dat we dat anders hadden moeten doen. Voor één ding geldt dat wel en dat zijn de Strongnummers. We hebben voor alle Griekse woorden de oorspronkelijke Zweedse nummers overgenomen, terwijl toen al het Strongnummer een internationale standaard was. Waarom niet alles in het begin overgezet op deze Strongnummers? Dat is misschien gemakzucht geweest, want de Zweedse nummers waren er al en het overzetten zou extra moeite en tijd kosten. Dit heeft in de loop van de tijd voortdurend verwarring gegeven. Nu terugkijkend hadden we dat anders moeten doen. Over andere zaken hebben we lang en grondig nagedacht en de afspraken die we 40 jaar geleden hebben gemaakt, leven we nu nog na”, concludeert Van den Brink.

Hoe zie je de toekomst van de Studiebijbel?
“Dat zie ik rooskleurig in, want bijbelcommentaren gaan jaren, zo niet eeuwen mee. Matthew Henry wordt vandaag nog steeds uitgegeven en gelezen. Dan hebben we het over een commentaar van 300 jaar geleden. Ik heb goede hoop dat ons commentaar over 100, 200 jaar nog gebruikt wordt. Verder zie ik nog allerlei mogelijkheden in andere talen. Wanneer je ziet dat mensen hierdoor gevoed en gezegend worden, wil je graag meer doen. Ik vind het prachtig dat we in het Spaans bezig zijn en dat verder uitbreiden. Ik zie dat als missie. Het was niet voor niets dat ik op de universiteit als bijvak missiologie koos. Zending heeft mijn hart. Ik zie dit hele project dan ook als een schakel in de uitbreiding van het koninkrijk van God. Wanneer mensen de Bijbel lezen, gaan ze vruchtdragen, gaan ze anders leven en wat ze lezen weer doorgeven aan anderen.

Hoe lang ga je nog door na je pensioen?
Ik hoop dat ik nog een paar jaar mag doorgaan. Zolang ik gezond blijf, blijf ik er graag bij betrokken. Het is mijn lust en mijn leven.

 

Misschien vindt u het ook leuk iets meer te weten over de andere medewerkers en redacteuren bij het CvB. Elke maand zullen we een van hen bij u introduceren. Vorige keer:

 

 

Ga terug naar het nieuwsoverzicht

Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!