Openbaring: Door crisis naar behoud van de aarde

Deel 10 van 12 van het thema ‘Lessen uit Openbaring door Gijs van den Brink

 

Openbaring leert dat de wereld in zijn huidige vorm tot een einde zal komen. Dat de huidige wereld zich in alle geleidelijkheid altijd maar verder zal ontwikkelen in een opgaande lijn, is een mythe. Het is het alomtegenwoordige westerse vooruitgangsgeloof. Dit vooruitgangsgeloof is in de plaats gekomen van het geloof in God die zijn plan voor de aarde in de Bijbel aan ons heeft geopenbaard.

Het boek Openbaring laat ons zien dat de wereld in een steeds grotere crisis terechtkomt. Met meer dood en vervuiling en vernietiging. De zeven zegels in Op.6 brengen Gods plan ten uitvoer dat Hij heeft voor de tijd tussen hemelvaart en wederkomst. Daarna volgen de zeven bazuinen in Op.8, die plaatsvinden tegen het einde van die periode. Bij de zeven bazuinen is er nog een mogelijkheid van bekering. Wanneer blijkt dat de bazuinen niet het gehoopte resultaat bewerken, volgen de schalen, waarin Gods toorn wordt voleindigd (Op.16). De zegels openen de oordelen, de bazuinen kondigen aan. De schalen zijn de pannen waarin het oordeel zelf ligt en waaruit het direct wordt uitgegoten.

Bij de bazuinen is er nog mogelijkheid tot bekering en wordt het oordeel nog niet voltrokken. Barmhartigheid is daar nog sterker. Maar bij de schalen is er niets meer wat het oordeel tegenhoudt. De crisis op aarde wordt steeds groter en de oordelen worden steeds grimmiger. Bij de schalen in hoofdstuk 16 volgen de plagen elkaar snel op en sparen niemand meer. De crisis op aarde bereikt een climax.

Maar op het hoogtepunt van de crisis op aarde komt Jezus Christus terug (Op.19:11vv) en na een hevige eindstrijd tussen Christus en het beest (antichrist), die door de Here Jezus wordt gewonnen komt er vervolgens vrede op aarde onder Zijn heerschappij.

Met een tussenrijk op aarde van duizend jaar gevolgd door een nieuwe hemel en aarde geeft het boek Openbaring in het Nieuwe Testament het meest krachtige getuigenis dat de aarde niet vergaat, maar wordt omgevormd en behouden (Op.20-22).

 

Kijk ook: Deel 9 van 12 van het thema ‘Lessen uit Openbaring ’: Bekering van Israël

 

Auteur: Gijs van den Brink
Uit: StudieBijbel Magazine


Dit is deel 10 van 12 beknopte blog over het thema “Lessen uit Openbaring” uit StudieBijbel Magazine, waar we de komende tijd een gedeelte van online zullen plaatsen. We hopen dat je hierdoor de Bijbel beter gaat begrijpen!

 


Download de Studiebijbel App GRATIS via Play Store of  App StoreVoer deze aanmeldcode (BLOGCVB2020) in om 45 dagen GRATIS toegang te hebben tot het StudieBijbel Salomo-pakket (het meest uitgebreide pakket).

 

Ga terug naar het artikeloverzicht

Geweldloosheid en de andere wang toekeren

Deel 4 van 6 van het thema ‘Geweldloosheid’ door Gijs van den Brink

 

Hoe Jezus zich dit praktisch voorstelt, blijkt bijvoorbeeld uit de volgende uitspraak: “Jullie hebben gehoord dat gezegd werd: “Een oog voor een oog en een tand voor een tand. En ik zeg jullie je niet te verzetten tegen wie kwaad doet, maar wie je op de rechterwang slaat, ook de linkerwang toe te keren.” (Mat.5:38-39)
De tekst veronderstelt de onschuld van de discipelen. De andere wang toekeren betekent afzien van vergelding (vgl. Spr.20:22; 24:29) en ervoor kiezen zich kwetsbaar op te stellen. Jezus zelf is ons in deze houding voorgegaan (Mat.26:67-68; 27:30; 1Pet.2:23) .

Er is overigens meer aan de hand. Het slaan op de rechterwang betekent meer dan een fysieke klap op het gezicht krijgen. Als je iemand op de rechterwang wilt slaan, dan moet je dat met de rug van de hand doen. Zo’n slag werd door de joden en wordt tot op heden in het Oosten nog als de ergste belediging beschouwd. Jezus geeft hier dus geen voorbeeld van een vuistgevecht, maar van een ernstige vernedering en belediging, waarbij fysiek geweld wordt gebruikt. Dit soort vernederingen vinden doorgaans plaats in ongelijke relaties. Meesters vernederen hun slaven op deze manier.

Jezus vraagt zijn volgelingen om bij dergelijke gewelddadige vernederingen af te zien van geweld. Hij roept zijn volgelingen op zich niet te verzetten (antistènai, meestal gebruikt voor verzet met gebruik van geweld) en geen kwaad met kwaad te vergelden. Hij wijst een andere weg, een andere houding t.o.v. de naaste, een houding die, als zij consequent aanwezig is, geweld beperkt en zelfs kan uitbannen.
Het is geen oproep om de status quo te bevestigen, zoals wel beweerd is. Dat zou in regelrechte strijd zijn met de beginselen van het Koninkrijk van God, een Rijk van liefde, vrede en gerechtigheid. Nee, het tegendeel is het geval. Het afzien van verzet en geweld ontneemt de onderdrukker zijn macht om te vernederen. Wie de andere wang toekeert, laat daarmee zien dat het vernederende effect niet bereikt wordt. En zo wordt de onderdrukker bij die daad van zijn vernederende macht beroofd.

Afzien van geweld is dus geen daad van passiviteit en lafheid. Het is een daad van moed en van liefde voor God en voor Zijn Koninkrijk. Daarom is volgens de 16e eeuwse dopers die principieel geweldloos leefden ‘Gelassenheit’ geen passieve houding, maar een positieve geestelijke actieve houding, die zij als hoger waardeerden dan geloof en werken. Het is een houding van zich ‘in Christus still halten’ die uiteindelijk tot God leidt.

 

Auteur: Gijs van den Brink
Uit: StudieBijbel Magazine


Dit is deel 4 van 6 beknopte blog over het thema “Geweldloosheid” uit StudieBijbel Magazine, waar we de komende tijd een gedeelte van online zullen plaatsen. We hopen dat je hierdoor de Bijbel beter gaat begrijpen!

Ga terug naar het artikeloverzicht

5. Herinnering en herkenning

Deel 5 van 5 van het thema ‘Waar zijn de doden’ door Gijs van den Brink

 

Zijn gestorven mensen tussen dood en opstanding al volmaakt? En zijn zij in die tussentijd bij volle bewustzijn en is hun aardse identiteit herkenbaar? Dat zijn vragen die veel mensen stellen.

In Lucas 16:23 lezen we: ‘Wanneer [de rijke] in het dodenrijk zijn ogen opslaat […], ziet hij Abraham van verre en Lazarus in zijn schoot’. Zowel de rijke als Lazarus leven na hun dood voort, de een in een gezegende paradijselijke geborgenheid bij Abraham, de ander in een voorlopig verblijf bestemd voor onrechtvaardigen. Beide zijn gescheiden door een ‘grote kloof’ (vs.26). De gestorvenen blijken elkaar te herkennen (vs.23, ‘ziet hij Abraham en Lazarus’), lichamelijk te functioneren (vs.24, ‘om mijn tong te verkoelen’) en herinneringen te hebben aan het aardse leven (vs.25 en 27). Jezus vertelt een gelijkenis, maar dat betekent niet dat wat Hij hier vertelt geen werkelijkheid is. Gelijkenissen zijn geen fabels, maar reële voorbeelden uit het dagelijks leven met een geestelijke les.

Het duidelijkst echter spreekt het boek Openbaring zich uit over de hemelse situatie van de gelovigen tussen dood en opstanding. In Openbaring 7 mag Johannes een blik werpen in de hemel en mag in een gezicht het moment zien dat een grote schare uit alle volk, stammen en natiën en talen daar staat voor de troon en voor het Lam. De hemelse tolk zegt dan tegen Johannes dat deze mensen uit de grote verdrukking komen en we lezen het volgende in vers 15-17 ‘zij zijn voor de troon van God en zij vereren Hem dag en nacht in zijn tempel; en Hij die op de troon gezeten is zal Zijn tent over hen uitspreiden. Zij zullen niet meer hongeren en niet meer dorsten, ook zal de zon niet op hen vallen, noch enige hitte, want het Lam dat in het midden van de troon is, zal hen weiden en hen voeren naar waterbronnen des levens; en God zal alle tranen van hun ogen afwissen.’

In de eerste plaats merken we op dat er gezegd wordt dat deze mensen uit de grote verdrukking komen; hun aardse identiteit is dus bekend. Verder zien we hier dat er activiteit is in de hemel (‘ze vereren Hem’). Het dienen van God gaat door. Hoewel de genoemde zegeningen sterk overeenkomen met die in het hemels Jeruzalem op de nieuwe aarde (Op.22:1-5) is de hemelse situatie toch een voorlopige. De opstanding van het lichaam en de nieuwe aarde liggen nog in het verschiet.

Auteur: Gijs van den Brink
Uit: StudieBijbel Magazine


Dit is deel 5 van 5 beknopte artikelen over het thema ‘Waar zijn de doden’ uit StudieBijbel Magazine, waar we de komende tijd een gedeelte van online zullen plaatsen. We hopen dat je hierdoor de Bijbel beter gaat begrijpen!

Ga terug naar het artikeloverzicht

4. Inwonen bij de Heer

Deel 4 van 5 van het thema ‘Waar zijn de doden’ door Gijs van den Brink

 

Als Paulus over zijn dood spreekt in Filippenzen 1:23-24 zegt hij het volgende: ‘van beide zijden wordt ik gedrongen; ik verlang heen te gaan en met Christus te zijn, want dit is verreweg het beste; maar nog in het vlees te blijven is nodiger om uwentwil’. Sterven is voor Paulus ‘met Christus zijn’. Deze eenheid met Hem beleeft hij nu al (vgl. 1Kor.6:17 e.a.), maar hij verwacht dat deze band nog veel intenser zal worden na zijn dood. Daarom zegt hij: sterven en met Christus zijn is vergeleken bij blijven leven op aarde, verreweg het beste. In 2Kor.5:8  zegt hij: ‘Wij begeren te meer ons verblijf in het lichaam te verlaten en bij de Here onze intrek te nemen.’ Dit leven bij Christus, dat op de dood volgt, noemt Paulus een thuiskomen of ‘intrekken’ bij de Heer. De tegenwoordige tijd ‘wij hebben’ (2Kor.5:1) wijst op de zekerheid dat dit nieuwe bestaan gereed ligt op het moment dat het oude, aardse zal worden afgebroken.

Tweefasenstructuur
Paulus spreekt zowel over een geborgenheid bij God direct na de dood, als over een latere opstanding van de doden (1Kor.15). De twee lijken in tijd gezien in elkaars verlengde te liggen. Dit is wel een ‘tweetrapsverwachting’ genoemd.  Een tijdelijke geborgenheid in de hemel bij Christus, die direct na het sterven ingaat zal gevolgd worden door een opstanding uit de doden aan het einde van de tijd. We hoeven hier dus niet te denken aan een ontwikkeling in het denken van Paulus over dit thema, zoals vaak gezegd is.

Ook bij Jezus en de evangelist Lucas vinden we deze tweefasenstructuur. Er wordt enerzijds over de hades, het paradijs en de ‘eeuwige tenten’ gesproken, waar men direct na de dood zal verblijven, en anderzijds over een opstanding uit de doden aan het einde der tijden (Luc.20:27-40). In de joodse apocalyptiek komen we dezelfde tweetrapsverwachting ook tegen (bv. in 4Ezra en 2Baruch).

 

Auteur: Gijs van den Brink
Uit: StudieBijbel Magazine


Dit is deel 4 van 5 beknopte artikelen over het thema ‘Waar zijn de doden’ uit StudieBijbel Magazine, waar we de komende tijd een gedeelte van online zullen plaatsen. We hopen dat je hierdoor de Bijbel beter gaat begrijpen!

Ga terug naar het artikeloverzicht

3. ‘Eeuwige tenten’ en ‘schoot van Abraham’

Deel 3 van 5 van het thema ‘Waar zijn de doden’ door Gijs van den Brink

 

‘Eeuwige tenten’

Wanneer Jezus de gelijkenis van de onrechtvaardige rentmeester verteld heeft, zegt Hij vervolgens: ‘En Ik zeg u: Maakt u vrienden met behulp van de onrechtvaardige Mammon, opdat, wanneer deze u ontvalt, jullie in de eeuwige tenten (skēnas) worden opgenomen.’ (Luc.16:9)

De woorden ‘wanneer deze u ontvalt’ spreken over het moment van sterven. Sommige handschriften hebben zelfs ‘wanneer jullie sterven’ (ek-leipō betekent: ‘ten einde gaan, sterven’). Dan zal het er voor hen op aan komen, dat zij worden opgenomen in de eeuwige tenten. Wat bedoelt Jezus hier met ‘eeuwige tenten’?

In Johannes 14:2 zegt Hij: ‘In het huis van Mijn Vader zijn veel woningen; als dat niet zo was, zou Ik het u gezegd hebben. Ik ga heen om een plaats voor u gereed te maken.’

Met de aanduiding ‘het huis van Mijn Vader’ doelde Hij in dit verband op de hemel (vgl. 2Kor.5:1). Maar wanneer zullen  de discipelen die ‘vele woningen’ mogen betrekken? Ook hier helpen geschriften uit de joodse apocalyptiek ons verder. In het Testament van Abraham, een joods geschrift uit de eerste eeuw, zegt God bij de dood van Abraham het volgende:

‘Draag dan mijn vriend Abraham naar het paradijs, waar de tenten (skēnai) van mijn rechtvaardigen zijn en de woningen (monai) van mijn heiligen … in diens schoot; waar geen moeite is, geen verdriet, geen gezucht, maar vrede en gejubel en leven zonder einde.’ (20:10-14).

De ‘woningen’ die de heiligen direct na hun dood betrekken worden, evenals de ‘tenten’ van de rechtvaardigen gelokaliseerd in de ‘schoot van Abraham’ (zie onder). En Jezus maakt duidelijk dat de ‘woningen’ zich bevinden in het ‘huis van de Vader’, de hemel.

 

‘Schoot van Abraham’

Het beeld van de ‘boezem’ of ‘schoot’ (deel van het menselijk lichaam) komen we in het NT tegen in het gezegde ‘aanliggen aan iemands boezem’ of ‘in iemands schoot’, d.w.z. aan de maaltijd naast iemand aanliggen. Zo lag de discipel welke Jezus liefhad bij het Avondmaal aan Zijn boezem aan (Joh.13:23), en lezen we in Luc.16:22 hoe de arme man door de engelen in Abrahams schoot of aan Abrahams boezem werd gedragen, d.w.z. hij mag met Abraham aanliggen aan het feestmaal van de rechtvaardigen. Het is in de eerste eeuw een vaste term geworden voor de plaats van vrede en geluk, waar de rechtvaardigen na hun dood heengaan.

 

Auteur: Gijs van den Brink
Uit: StudieBijbel Magazine


Dit is deel 3 van 5 beknopte artikelen over het thema ‘Waar zijn de doden’ uit StudieBijbel Magazine, waar we de komende tijd een gedeelte van online zullen plaatsen. We hopen dat je hierdoor de Bijbel beter gaat begrijpen!

Ga terug naar het artikeloverzicht

Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!