Openbaring: Door crisis naar behoud van de aarde

Deel 10 van 12 van het thema ‘Lessen uit Openbaring door Gijs van den Brink

 

Openbaring leert dat de wereld in zijn huidige vorm tot een einde zal komen. Dat de huidige wereld zich in alle geleidelijkheid altijd maar verder zal ontwikkelen in een opgaande lijn, is een mythe. Het is het alomtegenwoordige westerse vooruitgangsgeloof. Dit vooruitgangsgeloof is in de plaats gekomen van het geloof in God die zijn plan voor de aarde in de Bijbel aan ons heeft geopenbaard.

Het boek Openbaring laat ons zien dat de wereld in een steeds grotere crisis terechtkomt. Met meer dood en vervuiling en vernietiging. De zeven zegels in Op.6 brengen Gods plan ten uitvoer dat Hij heeft voor de tijd tussen hemelvaart en wederkomst. Daarna volgen de zeven bazuinen in Op.8, die plaatsvinden tegen het einde van die periode. Bij de zeven bazuinen is er nog een mogelijkheid van bekering. Wanneer blijkt dat de bazuinen niet het gehoopte resultaat bewerken, volgen de schalen, waarin Gods toorn wordt voleindigd (Op.16). De zegels openen de oordelen, de bazuinen kondigen aan. De schalen zijn de pannen waarin het oordeel zelf ligt en waaruit het direct wordt uitgegoten.

Bij de bazuinen is er nog mogelijkheid tot bekering en wordt het oordeel nog niet voltrokken. Barmhartigheid is daar nog sterker. Maar bij de schalen is er niets meer wat het oordeel tegenhoudt. De crisis op aarde wordt steeds groter en de oordelen worden steeds grimmiger. Bij de schalen in hoofdstuk 16 volgen de plagen elkaar snel op en sparen niemand meer. De crisis op aarde bereikt een climax.

Maar op het hoogtepunt van de crisis op aarde komt Jezus Christus terug (Op.19:11vv) en na een hevige eindstrijd tussen Christus en het beest (antichrist), die door de Here Jezus wordt gewonnen komt er vervolgens vrede op aarde onder Zijn heerschappij.

Met een tussenrijk op aarde van duizend jaar gevolgd door een nieuwe hemel en aarde geeft het boek Openbaring in het Nieuwe Testament het meest krachtige getuigenis dat de aarde niet vergaat, maar wordt omgevormd en behouden (Op.20-22).

 

Kijk ook: Deel 9 van 12 van het thema ‘Lessen uit Openbaring ’: Bekering van Israël

 

Auteur: Gijs van den Brink
Uit: StudieBijbel Magazine


Dit is deel 10 van 12 beknopte blog over het thema “Lessen uit Openbaring” uit StudieBijbel Magazine, waar we de komende tijd een gedeelte van online zullen plaatsen. We hopen dat je hierdoor de Bijbel beter gaat begrijpen!

 


Download de Studiebijbel App GRATIS via Play Store of  App StoreVoer deze aanmeldcode (BLOGCVB2020) in om 45 dagen GRATIS toegang te hebben tot het StudieBijbel Salomo-pakket (het meest uitgebreide pakket).

 

Ga terug naar het artikeloverzicht

Openbaring: Bekering van Israël

Deel 9 van 12 van het thema ‘Lessen uit Openbaring door Gijs van den Brink

 

Er is een fundamenteel onderscheid tussen gelovigen uit Israël en gelovigen uit de heidenen, zoals duidelijk verwoord wordt in hoofdstuk 7 .

144.000 gelovigen uit Israël, d.w.z. een volheid van een bepaald vastgesteld aantal gelovigen, zullen verzegeld worden. Deze zegelafdruk biedt wettelijke bescherming tegen schending. Het gaat hier om een overblijfsel van messiasbelijdende joden die in de laatste dagen goddelijke bescherming ontvangen. En er is daarnaast sprake van een tweede groep, een menigte die niemand tellen kan uit alle volken en stammen en natiën en talen.

In Op.11:13 wordt de verwachting uitgesproken dat het overgrote deel van het volk Israël tot bekering zal komen. Johannes ziet ook hoe dat zal gaan.

We lezen in hoofdstuk 11 dat er in Israël twee getuigen, twee godsmannen zullen optreden, die bijzonder moedig zijn. Maar uiteindelijk worden ze door het “beest”, de antichrist, vermoord. Maar wat gebeurt er? Na drie en een halve dag neemt God het voor de vermoorde getuigen op. Hij laat hen weer tot leven komen. Vervolgens neemt de Heer hen op in de hemel terwijl hun vijanden toekijken. Hij brengt hen in veiligheid, want op aarde zijn ze niet langer veilig.

De spot onder de volken verandert in angst. Op hetzelfde moment van de hemelvaart is er ook een grote aardbeving (vs.13). Het gevolg is dat 1/10 deel van Jeruzalem instort en dat 7000 mensen sterven. Dit is in feite een gering aantal, een kleine minderheid! Zo groot is Gods liefde voor Israël. Niet slechts een trouwe rest overleeft, maar ook een ongelovige meerderheid. Slechts 10% is omgekomen, de ‘overigen’ hebben het overleefd.

Van hen lezen we dat ze ‘bevreesd worden en de God van de hemel de eer geven’. Dat wil zeggen dat ze zich bekeren en de boodschap van de twee getuigen die overleden zijn, gaan geloven. 90% van de inwoners van Jeruzalem komt dan tot geloof!!

En als Jeruzalem hier gezien moet worden als moeder van Israël (zoals in het jodendom veel gebeurde), dan is er sprake van een bekering van het hele volk Israël. En precies dit werd ook verkondigd door Jezus.

Mat.23:39

‘Want Ik zeg u: vanaf nu zult u Me niet meer zien, tot het moment waarop u zegt: Gezegend is Hij die komt in de naam van de Heer.’

 En door Paulus in Rom. 11:26

‘En zo zal tenslotte heel Israël gered worden, volgens de woorden van de Schrift: Uit Sion zal de redder komen en Hij zal de goddeloosheid uit Jakob verwijderen.’

En zo zal tenslotte heel Israël gered worden.

Zowel Jezus als ook Paulus en dus ook de apostel Johannes vertellen ons over een toekomstige bekering van Israël.

 

Kijk ook: Deel 8 van 12 van het thema ‘Lessen uit Openbaring ’: Visie op milieu

 

Auteur: Gijs van den Brink
Uit: StudieBijbel Magazine


Dit is deel 9 van 12 beknopte blog over het thema “Lessen uit Openbaring” uit StudieBijbel Magazine, waar we de komende tijd een gedeelte van online zullen plaatsen. We hopen dat je hierdoor de Bijbel beter gaat begrijpen!

 


Download de Studiebijbel App GRATIS via Play Store of  App StoreVoer deze aanmeldcode (BLOGCVB2020) in om 45 dagen GRATIS toegang te hebben tot het StudieBijbel Salomo-pakket (het meest uitgebreide pakket).

 

Ga terug naar het artikeloverzicht

Lessen uit Openbaring: Symbolische uitleg

Deel 3 van 12 van het thema ‘Lessen uit Openbaring ’ door Gijs van den Brink

 

Het boek Openbaring is een moeilijk boek. In eerdere blogs zagen we dat dit komt, omdat het boek vanaf hoofdstuk vier een aaneenschakeling van visioenen bevat. De beelden zijn vaak moeilijk te begrijpen.
Een andere moeilijkheid is hoe we het boek moeten lezen? Als een profetie over wat in de toekomst zal gebeuren of zuiver geestelijk en symbolisch? We kunnen voornamelijk twee hoofdstromen onderscheiden, de symbolische of idealistische uitleg en historische interpretaties. De eerste bespreken we hier.

De symbolische visie, ook wel de Alexandrijnse genoemd heeft de kerk te danken aan kerkvader Origenes uit Alexandrië (3e eeuw). Zijn volgeling, de al eerder genoemde Dionysius van Alexandrië (gest. 265), leest het boek Openbaring als een aaneenschakeling van tijdloze allegorieën, een soort symbolen of metaforen. Bij de idealisten gaat het niet over concrete gebeurtenissen, maar over principes.

Men spreekt over de strijd tussen het Koninkrijk van God en het kwaad. Zo is het ‘Beest’ in Op.13 bijvoorbeeld niet een historische persoon of instantie, maar een beeld van de macht van satan. En de strijd bij Harmageddon is niet iets wat op aarde gebeurt, maar een ideologisch conflict tussen geloof en ongeloof. Zoals Origenes het OT vergeestelijkte, zo vergeestelijken de idealisten het boek Openbaring.

Na Constantijn de Grote in de 4e eeuw n.Chr. toen het christendom staatsgodsdienst werd, is deze uitleg in de traditionele staatskerken het meest geliefd geworden, want de kerk had geen behoefte meer aan een vertroosting voor moeilijke tijden. Men zag niet langer vol verlangen uit naar een spoedige komst van Christus. En er was zeker geen behoefte aan een visie waarbij de overheid het kwaad vertegenwoordigt!

Met de meerderheid van nieuwtestamentische exegeten wijzen we de grondgedachte van de idealistische uitleg af. Johannes is een profeet als de oudtestamentische profeten en evenals zij spreekt hij concreet over de geschiedenis van God met Zijn volk en de wereld. Zo concreet als Jeremia de ballingschap voorzag, zo concreet spreekt Johannes over de verschijning van de antichrist (het ‘beest’ Op.13) en de komst van Christus om te oordelen (Op.19). Als het laatste, de komst van Christus, wel historisch bedoeld is, zou dan het voorlaatste niet historisch bedoeld zijn?

Dit staat los van de vele symboliek die er in het boek voorkomt en dat je de beelden uit de visioenen natuurlijk niet letterlijk kunt nemen. Dit hebben we eerder al gezien. Dit geldt ook voor getallen als 144.000, 7 of 10. De kernvraag is voortdurend hoe beelden en gebeurtenissen zich verhouden.

 

De volgende keer bespreken de historische interpretatie.

 

 

 

 

 

Auteur: Gijs van den Brink
Uit: StudieBijbel Magazine


Dit is deel 3 van 12 beknopte blog over het thema “Lessen uit Openbaring” uit StudieBijbel Magazine, waar we de komende tijd een gedeelte van online zullen plaatsen. We hopen dat je hierdoor de Bijbel beter gaat begrijpen!

 

Ga terug naar het artikeloverzicht

Gaven van de Heilige Geest

Deel 6 van 10 van het thema ‘De Heilige Geest in het NT ’ door Gijs van den Brink

 

We zijn in deze serie bezig met een overzicht van de betekenis van de Heilige Geest in het NT. De vorige keer spraken we over de volheid van de Geest of de vervulling met de Geest. Deze gebeurtenis die op het Pinksterfeest de eerste keer plaatsvond, heeft zich sindsdien vele malen herhaald in de levens van individuele gelovigen.

Waar gaat het dan over? Wat gaat die ‘toerusting’ of ‘zalving’ met de Geest’ ons brengen?

Deze vervulling brengt ‘geestelijke gaven’ met zich mee. Op meerdere plaatsen in het NT vinden we hier voorbeelden van.

De meest bekende opsomming staat in 1Kor.12:8-10.

De meest bekende opsomming

‘Aan de een wordt door de Geest een woord van wijsheid gegeven; aan een ander een woord van kennis, krachtens dezelfde Geest; 9 aan een derde door dezelfde Geest het geloof; en aan weer anderen schenkt diezelfde Geest de gave om ziekten te genezen, 10 de kracht om wonderen te doen, de gave van de profetie, de onderscheiding van geesten, het vermogen om in talen te spreken of de betekenis ervan uit te leggen.’ (1Kor.12:8-10, WV95)

Het gaat hier om pneumatika, om uitingen die direct door de Geest worden gewerkt. En de opsomming lijkt ontleend aan de wijze waarop de Korintiërs hiermee omgaan. Ik kan niet op alle genoemde gaven ingaan, maar over twee gaven wil ik iets zeggen.

Bij de gave van ‘geloof’ (vs.9) gaat hier niet over het geloof dat ons behoudt, maar de gave van het ‘wonderwerkend geloof’, die sommigen ontvangen.

Het is het geloof, dat ‘bergen kan verzetten’. Door dit geloof ontvang je bijzondere gebedsverhoringen en worden bijvoorbeeld bezetenen bevrijd.

Het is verder opmerkelijk dat er in het Grieks gesproken wordt over ‘gaven van genezingen’, in het meervoud dus. We zullen dit zo moeten opvatten, dat je deze gave niet permanent bezit, maar dat deze uitingen telkens opnieuw door de Geest gegeven worden. Dit geldt voor alle geestesuitingen die Paulus hier noemt.

Het zijn geen talenten die je bezit, maar de Geest bezit deze gaven en gebruikt ons als instrumenten. Een talent bezit je permanent, maar een geestelijke gave is het bezit van de Geest en Hij gebruikt ons telkens als Hij dat wil.

 

 

 

 

 

Auteur: Gijs van den Brink
Uit: StudieBijbel Magazine


Dit is deel 6 van 10 beknopte blog over het thema “De Heilige Geest in het NT” uit StudieBijbel Magazine, waar we de komende tijd een gedeelte van online zullen plaatsen. We hopen dat je hierdoor de Bijbel beter gaat begrijpen!

 

Ga terug naar het artikeloverzicht

De volheid van de heilige Geest

Deel 5 van 10 van het thema ‘De Heilige Geest in het NT ’ door Gijs van den Brink

 

We hebben voorgaande keren gezien dat alle hoogtepunten in het leven van Jezus ook betekenis hebben in ons geloofsleven. Zo ook de uitstorting van de Geest op Pinksteren.

Paulus spreekt in dit verband over het ‘zegel’ van de Geest (2Kor.1:22) of de ‘verzegeling’ met de Geest (Ef.1:13; 4:30). De Geest is dan het ‘onderpand’ (arrabon),  de aanbetaling van een veel grotere belofte.

Johannes noemt in zijn brieven dit persoonlijke pinksteren een ‘zalving’ van de Geest (1Joh.2:20,27; vgl. ook Lucas in Hand.10:38), die aan de gelovigen is gegeven.

Van prof. Graafland heb ik geleerd dat deze analogie tussen de heilsgeschiedenis en ons geestelijk leven in de dogmatiek ‘heilsorde’ wordt genoemd. Zo kun je heilshistorisch over de openbaring in de Schrift spreken en ‘heilsorderlijk’ over de geloofsweg van een mens. Er is een analogie tussen de heilsgeschiedenis en de persoonlijke heilsorde.

In de grote christelijke tradities, zoals de Rooms-katholieke en Orthodoxe kerken, maar ook in de Anglicaanse en Lutherse traditie, is de heilsorderlijke betekenis van Pinksteren altijd bewaard gebleven, namelijk in de leer en praktijk van het vormsel of de confirmatie.

Sinds Tertullianus (plm. 200 n. Chr.) is dit een eeuwenlange breed gedragen visie, die m.i. door en door bijbels is. De waterdoop is gericht op het behoud, de Geestesdoop of confirmatie op de toerusting van de christen met kracht van de Heilige Geest.

In de Gereformeerde traditie is dit geloofspunt helaas erg vervaagd. Wel heeft de missioloog prof . Dr. J.H. Bavinck zich sinds het midden van de 20e eeuw enorm ingezet om dit geloofspunt weer onder de aandacht te brengen. In zijn boekje “Ik geloof in de Heilige Geest” (1963) maakt ook hij onderscheid tussen de ‘wederbarende werking’ van de Geest en de ‘bekrachtiging’ met de Geest.

Het is de pinksterbeweging geweest die dit belangrijke thema in de 20 eeuw krachtig op de kaart heeft gezet, in geschrift, maar vooral in de praktijk. Waar het dan over gaat, komt in volgende bijdragen aan de orde.

 

Auteur: Gijs van den Brink
Uit: StudieBijbel Magazine


Dit is deel 5 van 10 beknopte blog over het thema “De Heilige Geest in het NT” uit StudieBijbel Magazine, waar we de komende tijd een gedeelte van online zullen plaatsen. We hopen dat je hierdoor de Bijbel beter gaat begrijpen!

 

Ga terug naar het artikeloverzicht

Zo Meester zo leerling

Deel 4 van 10 van het thema ‘De Heilige Geest in het NT ’ door Gijs van den Brink

 

In de vorige blogs hebben we gezien dat bij hoofdmomenten in het leven en de bediening van Jezus de Heilige Geest een hoofdrol speelt. Bij zijn geboorte, zijn doop, zijn bediening op aarde en op het Pinksterfeest na zijn hemelvaart.

We zien ook dat Jezus zijn discipelen erin heeft onderwezen dat deze hoofdmomenten ook in hun leven een plaats zullen hebben. Er is een analogie tussen de meester en zijn leerlingen.

Een paar voorbeelden. Jezus heeft in zijn gesprek met Nicodemus duidelijk gemaakt dat ook zijn volgelingen uit de Geest geboren moeten worden. Deze wedergeboorte is onmisbaar. Hij zegt namelijk ‘Waarachtig, ik verzeker u: alleen wie opnieuw wordt geboren, kan het koninkrijk van God zien.’ (Joh.3:3) en: ‘Wat geboren is uit een mens is menselijk, en wat geboren is uit de Geest is geestelijk. (Joh.3:6).

Verder heeft Jezus onderwezen dat ook zijn volgelingen gedoopt moeten worden en dat ook voor hen de belofte van de vervulling met de Geest vervuld zal worden.
En na zijn opstanding heeft hij hen duidelijk gemaakt dat ook hun bediening en getuigenis niet zonder de kracht van de heilige Geest kan. Daarom moesten ze wachten in Jeruzalem.

Ook in de brieven van het Nieuwe Testament zien we dat de apostelen deze overeenkomst tussen meester en leerling leren. Paulus zegt in Rom.6:4-5 ‘We zijn door de doop in zijn dood met hem begraven … Als wij delen in zijn dood, zullen wij ook delen in zijn opstanding.’

En in Efez.6:2 betrekt Paulus ook de hemelvaart in deze analogie. ‘Hij heeft ons samen met hem uit de dood opgewekt en ons een plaats gegeven in de hemelse sferen, in Christus Jezus.’

 

De volgende keer zullen we wat dieper ingaan op de betekenis van de uitstorting van de Geest op Pinksteren in de geloofsweg van de individuele gelovigen.

 

Auteur: Gijs van den Brink
Uit: StudieBijbel Magazine


Dit is deel 4 van 10 beknopte blog over het thema “De Heilige Geest in het NT” uit StudieBijbel Magazine, waar we de komende tijd een gedeelte van online zullen plaatsen. We hopen dat je hierdoor de Bijbel beter gaat begrijpen!

 

Ga terug naar het artikeloverzicht

De uitstorting van de Heilige Geest op Pinksteren

Deel 3 van 10 van het thema ‘De Heilige Geest in het NT ’ door Gijs van den Brink

 

Na zijn opstanding zegt Jezus tegen zijn discipelen:

‘‘Ga niet weg uit Jeruzalem, maar blijf daar wachten tot de belofte van de Vader, waarover jullie van mij hebben gehoord, in vervulling zal gaan. (Hand.1:4)

Ze moesten wachten in Jeruzalem en niet terugkeren naar hun geboortestreek Galilea. En dat laatste  lag toch voor de hand!? Waarom Jeruzalem niet verlaten? Wachten op de komst van de Heilige Geest.

Het zal over een paar dagen gebeuren, zegt Jezus in Hand.1:5. Wist hij dat dit op het Pinksterfeest zou zijn? Wát zal er dan gebeuren? Ook dat wordt door Jezus duidelijk gezegd:

Maar wanneer de heilige Geest over jullie komt, zullen jullie kracht ontvangen en van mij getuigen in Jeruzalem, in heel Judea en Samaria, tot aan de uiteinden van de aarde.’ (Hand.1:8).

En dan komt de dag van het Pinksterfeest. Hand.2:1-4.

Toen de dag van het Pinksterfeest aanbrak waren ze allen bij elkaar. Plotseling klonk er uit de hemel een geluid als van een hevige windvlaag, dat het huis waar ze zich bevonden geheel vulde. Er verschenen aan hen een soort vlammen, die zich als vuurtongen verspreidden en zich op ieder van hen neerzetten, en allen werden vervuld van de heilige Geest en begonnen op luide toon te spreken in vreemde talen, zoals hun door de Geest werd ingegeven.

En dan komt Petrus naar voren en zegt: Wat hier nu gebeurt, is aangekondigd door de profeet Joël (Hand. 2:16).

Het pinkstergebeuren was geen eenmalige gebeurtenis, maar blijft zich herhalen. Het gebeurt nog eens in Samaria wanneer Petrus en Johannes daar komen (Hand.8) en ook weer in het huis van Cornelius in Caesarea, een Romeinse centurio, een hoofdman over honderd (Hand.10).

Wat hebben we tot nu toe gezien? Ten eerste dat bij hoofdmomenten in het leven en de bediening van Jezus de Heilige Geest een hoofdrol speelt. Dit is bij zijn geboorte, zijn doop, zijn bediening op aarde en zijn vervanging na zijn hemelvaart. Het laatste wordt ook wel zijn wederkomst in de Geest genoemd.

Ten tweede zien we dat Jezus zijn discipelen erin heeft onderwezen dat deze hoofdmomenten ook in hun leven een plaats zullen hebben.

Er is een analogie tussen de meester en zijn leerlingen.

De volgende keer meer over deze overeenkomst tussen Jezus en ons als gelovigen.

 

Auteur: Gijs van den Brink
Uit: StudieBijbel Magazine


Dit is deel 3 van 10 beknopte blog over het thema “De Heilige Geest in het NT” uit StudieBijbel Magazine, waar we de komende tijd een gedeelte van online zullen plaatsen. We hopen dat je hierdoor de Bijbel beter gaat begrijpen!

 

Ga terug naar het artikeloverzicht

Oudsten in Efeze

Deel 6 van 9 van het thema ‘Leiderschap van oudsten ’ door Gijs van den Brink

 

Eerder zagen we hoe ‘oudsten’ functioneerden in de christelijke gemeente in Jeruzalem en Antiochië. Het zijn geen oudsten van één plaatselijke gemeente, maar oudsten voor de hele stad, voor alle gelovigen verspreid over meerdere huiskerken. En dat waren in Jeruzalem wel 5000 gelovigen verspreid over minstens 150-165 huiskerken. Vandaag kijken we naar de situatie in Efeze in Klein Azië, het huidige Turkije.

Met betrekking tot de stad Efeze is in het boek Handelingen het zelfde onderscheid tussen de gemeente ‘aan huis’ en de gemeente ‘per stad’ aan de orde (Hand.20:17). Vanuit Milete stuurde Paulus een boodschap naar Efeze om de oudsten van de gemeente bij zich te roepen. Het gaat hierbij in het woordgebruik van Lucas evenals bij de gemeente van Jeruzalem’ (Hand.11:22), en ‘de gemeente door geheel Judea, Galilea en Samaria’ (Hand.9:31) om de hele stadsgemeente. En het is in deze wereldstad Efeze, evenals in Antiochië, niet aannemelijk dat de christelijke gemeente in deze fase nog maar uit enkele tientallen christenen bestaat. Er is ook hier ongetwijfeld sprake van meerdere huisgemeenten. En Lucas spreekt dus over de gezamenlijke oudsten van een stadsgemeente, die uit meerdere huisgemeenten bestond.

Ook hier worden de oudsten (overeenkomstig de joodse status van oudsten) niet aangesteld, ze blijken er al te zijn en even later laat Lucas Paulus zeggen: ‘Zorg goed voor uzelf en voor heel de kudde waarover de heilige Geest u als leiders (episkopoi, opziener) heeft aangesteld om de kerk van God  te weiden’ (20:28). Het ligt voor de hand om te veronderstellen dat in iedere huisgemeente de huisvader of huiseigenaar de gastheer of gastvrouw van de gemeente was (opziener genoemd?) en verantwoordelijk was voor de gemeente aan huis. Gezamenlijk worden ze de ‘oudsten’ van de stadsgemeente Efeze genoemd, omdat ze leiding geven aan de diverse huisgemeenten waaruit de kerk te Efeze bestond.
De volgende keer meer over de situatie in Efeze in de brief aan Timoteüs.

 

Auteur: Gijs van den Brink
Uit: StudieBijbel Magazine


Dit is deel 6 van 9 beknopte blog over het thema “Leiderschap van oudsten” uit StudieBijbel Magazine, waar we de komende tijd een gedeelte van online zullen plaatsen. We hopen dat je hierdoor de Bijbel beter gaat begrijpen!

 

Ga terug naar het artikeloverzicht

Oudsten in Antiochië

Deel 5 van 9 van het thema ‘Leiderschap van oudsten ’ door Gijs van den Brink

 

De vorige keer zagen we hoe ‘oudsten’ functioneerden in de christelijke gemeente in Jeruzalem. Het zijn geen oudsten van één plaatselijke gemeente, maar oudsten voor de hele stad, voor alle gelovigen in Jeruzalem. En dat waren wel 5000 gelovigen verspreid over minstens 150-165 huiskerken. Hoe was dat in steden en gebieden buiten Israël? Vandaag kijken we naar Antiochië in Syrië.

In Hand.14:23 gaat het over oudsten in Antiochië. Is de situatie hier te vergelijken is met die in Jeruzalem? In 14:23 zegt Lucas dat Paulus en Barnabas in allerlei plaatsen oudsten aanstelden of bevestigden kat’ ekklēsian (per gemeente). Dit staat in contrast met het elders gebruikte kat’ oikon (per huis, bijvoorbeeld in 2:46, Jeruzalem en 20:20, Efeze).

De omschrijving van de gemeente in 13:1 wijst er op dat Lucas hier spreekt over de Antiocheense gemeente in haar geheel en dat de daar genoemde profeten en leraren een erkenning genoten bij de hele gemeente. Ook de beschrijving van de werkzaamheden in Antiochië in Hand.11:19vv wijst in deze richting, namelijk dat al ten tijde van Paulus en Barnabas deze gemeente uit meerdere huisgroepen bestond (zoals in Jeruzalem). In een paar verzen wordt tot driemaal toe herhaald dat hier een groot aantal mensen tot geloof kwam (vs.21, 24, 26). Als Lucas in Jeruzalem over aantallen spreekt heeft hij het over 3000 en 5000 personen (2:41; 4:4). Het is daarom onmogelijk dat hij met een ‘groot aantal’ in Antiochië niet meer dan dertig, veertig personen zou bedoelen. Het is dan ook heel aannemelijk dat de in 13:1 genoemde mannen leiders van verschillende huisgemeenten zijn en dat zij gezamenlijk het leiderschap vormden wanneer de gelovigen te Antiochië kat’ ekklēsian bij elkaar kwamen. We mogen dus aannemen dat met ‘gemeente’ in 14:23 niet de huisgemeente bedoeld is, de gemeente die op één plaats samenkomt, maar de stadsgemeente, de gemeente in de zin van alle gelovigen in die stad. Over die stadsgemeente worden oudsten bevestigd.

Er is nog een tweede reden waarom Hand.13:1 van belang is om de werkzaamheden in 14:23 te begrijpen. In Hand.13 worden Paulus en Barnabas zelf uitgezegend onder handoplegging met bidden en vasten. In 14:23 gebeurt dit ook, maar nu zijn zij degenen die anderen de handen opleggen en zegenen. Deze sterke overeenkomst helpt ons ook om het woord cheirotoneo dat een heel breed betekenisveld heeft (kiezen [met handopsteking], selecteren, nomineren, aanwijzen, aanstellen, bevestigen [onder handoplegging])  hier op de juiste wijze te begrijpen. Tegen de joodse achtergrond van de plaats van oudsten als gerespecteerde wijze mannen binnen de gemeenschap, moeten we hier denken aan bevestigen en inzegenen, d.w.z het aan de Heer opdragen van deze mannen in hun verantwoordelijkheid van ‘oudsten’ van de christelijke gemeenschap op stadsniveau. De ‘oudsten’ worden dus niet gekozen of aangesteld, maar zijn vanwege hun leeftijd, status en bijdrage aan de gemeente naar voren gekomen en dat wordt nu door de rondreizende apostelen bevestigd.  Zoals Paulus en Barnabas zelf aan de Heer waren opgedragen voor hun reis, zo vertrouwen zij nu op hun beurt anderen toe aan de genade van God.

De volgende blogs zullen we ingaan op de situatie in Kreta en de wereldstad Efeze.

 

Auteur: Gijs van den Brink
Uit: StudieBijbel Magazine


Dit is deel 5 van 9 beknopte blog over het thema “Leiderschap van oudsten” uit StudieBijbel Magazine, waar we de komende tijd een gedeelte van online zullen plaatsen. We hopen dat je hierdoor de Bijbel beter gaat begrijpen!

 

Ga terug naar het artikeloverzicht

Oudsten in Jeruzalem

Deel 4 van 9 van het thema ‘Leiderschap van oudsten ’ door Gijs van den Brink

 

De vorige keer eindigden we met de vraag: in welke kerk worden oudsten aangesteld. In de huiskerk? Of over een groep van huiskerken in een bepaalde stad of regio? Of in de universele kerk?

De eerste keer dat er wordt gesproken over verantwoordelijke oudsten in de christelijke gemeente is in Hand.11:29-30: ‘De leerlingen besloten dat de broeders en zusters in Judea ondersteund moesten worden. Ze droegen elk naar vermogen bij en lieten hun gift door Barnabas en Saulus naar de oudsten brengen’. Er wordt hier gesproken over de aanwezigheid van (christelijke) ‘oudsten’ in Jeruzalem.

Het is opmerkelijk dat er niet meer alleen over de apostelen wordt gesproken (vgl. 4:34,37), maar ook over ‘de oudsten’. Enerzijds behoren de apostelen natuurlijk ook tot ‘de oudsten’. Petrus noemt zichzelf  bijvoorbeeld ‘medeoudste’ (1Petr.5:1) en ook de apostel Johannes noemt zichzelf ‘oudste’ (2 Joh.1). Anderzijds blijkt uit Hand.15:2,4,6,22,23; 16:4 dat er naast de apostelen ook oudsten waren, waarvan Jakobus, de broer van Jezus, de eerste was (vgl. 15:13; 21:18; Gal.2:9).

Over de aanstelling van deze oudsten bericht Lucas ons niet. Waarom dit niet gebeurt wordt duidelijker als we beseffen dat het bij de gemeente in Jeruzalem niet om een gemeente gaat die op één plaats samenkomt (een samenkomst aan huis of in een zaal), maar om de stadsgemeente in de zin van alle gelovigen in Jeruzalem.

 

Netwerk van dagelijkse samenkomsten

Hier moeten we iets zeggen over de structuur en aard van de gemeente in Jeruzalem. Het was een netwerk van kleine gemeenschappen met dagelijkse samenkomsten. In Hand.2:46 lezen we: ‘Elke dag kwamen ze [de gelovigen] trouw en eensgezind samen in de tempel, braken het brood bij elkaar thuis en gebruikten hun maaltijden in een geest van eenvoud en vol vreugde’ (zie ook Hand. 1:13; 4:32-35; 5:42; 12:12).

De gelovigen in Jeruzalem ontmoetten elkaar dagelijks aan huis. Wat ze dan deden lezen we in vers 42: ‘Ze bleven trouw aan het onderricht van de apostelen, vormden met elkaar een gemeenschap, braken het brood en wijdden zich aan het gebed’.

Op grond van archeologisch onderzoek mogen we aannemen dat er gemiddeld 30 mensen per huis konden samenkomen. In dat geval betreft het dus minstens 165 huizen, want er waren in Jeruzalem en omstreken 5000 gelovigen (Hand. 4:4).

Wanneer we in het boek Handelingen dus lezen over ‘oudsten’ in Jeruzalem, die samen met de apostelen worden genoemd, betreft het dus de verantwoordelijke oudsten van een stadsgemeente ofwel van alle gelovigen in Jeruzalem en omstreken. Het gaat hier niet over oudsten van één lokale (huis)kerk.

Tegen de achtergrond van de oudsten in de joodse gemeenschap hoeven we er niet aan te twijfelen dat ook in de christengemeenschap van Jeruzalem de oudsten die hier genoemd worden de meest gerespecteerde oudere broeders zijn uit diverse huisgemeenten.

De volgende blogs zullen we ingaan op de situatie in Antiochië, Kreta en Efeze.

 

Auteur: Gijs van den Brink
Uit: StudieBijbel Magazine


Dit is deel 4 van 9 beknopte blog over het thema “Leiderschap van oudsten” uit StudieBijbel Magazine, waar we de komende tijd een gedeelte van online zullen plaatsen. We hopen dat je hierdoor de Bijbel beter gaat begrijpen!

 

Ga terug naar het artikeloverzicht

Oudsten of ouderen?

Deel 3 van 9 van het thema ‘Leiderschap van oudsten ’ door Gijs van den Brink

 

In de eerste bijdrage hebben we gezien dat oudsten in de Joodse synagoge geen functie hadden. Ze waren echter wel de uiteindelijk verantwoordelijken. Het was een collectief van oude wijze mannen die de gemeenschap naar buiten toe vertegenwoordigde. Een oudste hoefde in de synagoge dus geen concrete taak te hebben, maar was wel verantwoordelijk en op leeftijd.

Omdat het begrip ‘oudste’ in het Nieuwe Testament nergens wordt uitgelegd, nemen we aan dat de synagoge model stond voor het accepteren van de term ‘oudsten’ in de christelijke gemeente. Maar is dit functioneren van ‘oudsten’ ook herkenbaar in het Nieuwe Testament?

Vandaag kijken we naar de betekenis van het Griekse woord.

Het bijvoeglijk naamwoord presbuteros betekent (1) ‘ouder, eerbiedwaardiger’, en zelfstandig gebruikt (2) ‘voorouder, voorvader’, en (3) ‘oudste’. Het woord wordt in het Nieuwe Testament breed gebruikt. Het wordt in eerste instantie gebruikt met betrekking tot de leeftijd die iemand in vergelijking met anderen bereikt heeft. Zo betreft het in Luc.15:25 bijvoorbeeld de ‘oudere’ van twee zoons. Het kan ook als zelfstandig naamwoord functioneren, bijvoorbeeld de ‘ouderen’ in het algemeen in tegenstelling tot de ‘jongeren’ (Hand.2:17) of de ‘oudere (man)’ en ‘de oudere (vrouwen)’ in tegenstelling tot de jongere mannen en vrouwen (1Tim.5:1,2).

Ten tweede wordt het gebruikt voor de ‘ouderen’ in vergelijking met de nu levenden, dat wil zeggen de voorouders of voorvaderen (Mat.15:2; Mar.7:3,5; Hebr.11:2).

Ten derde betekent het, in het verlengde van de eerste betekenis, ‘oudste’ als titel voor iemand die een speciale verantwoordelijkheid draagt voor de joodse of christelijke gemeenschap. In de joodse gemeenschap kan het een oudste van een plaatselijke gemeenschap betreffen (bv. Luc.7:3), maar ook een lid van een van de drie groepen waaruit de Hoge Raad in Jeruzalem bestond (bv. Mar.11:27; Luc.20:1).

Wij zien dat de term presbuteros in het NT laat zien dat het woord overeenkomt met het gebruik in de Joodse literatuur. Dit is ook wat we verwacht hadden, omdat de term in het NT nergens wordt uitgelegd. Het betreft een oudere persoon die verantwoordelijk is voor de gemeenschap.

In de volgende bijdragen gaan we de teksten in het NT lezen om een antwoord te krijgen op een andere belangrijke vraag: in welke kerk worden oudsten aangesteld. In de huiskerk? Of over een groep van huiskerken in een bepaalde stad of regio? Of in de universele kerk?

 

Auteur: Gijs van den Brink
Uit: StudieBijbel Magazine


Dit is deel 3 van 9 beknopte blog over het thema “Leiderschap van oudsten” uit StudieBijbel Magazine, waar we de komende tijd een gedeelte van online zullen plaatsen. We hopen dat je hierdoor de Bijbel beter gaat begrijpen!

 

Ga terug naar het artikeloverzicht

Oudsten in de kerk. Welke kerk?

Deel 2 van 9 van het thema ‘Leiderschap van oudsten ’ door Gijs van den Brink

 

De vorige keer spraken we over de oudsten in de synagoge. We zagen dat deze oudsten niet de leidinggevenden in de synagoge waren, maar oudsten van het dorp of de stad. Daarmee waren zij voor veel meer verantwoordelijk dan alleen de plaatselijke synagoge.

Vandaag kijken we naar de kerk in het Nieuwe Testament. Wat bedoelen de apostelen wanneer ze over de ‘kerk’ spreken? Het blijkt dat ze hiermee niet altijd hetzelfde bedoelen. Er is al een halve eeuw een consensus dat het begrip ekklēsia (kerk, gemeente) in het Nieuwe Testament niet twee, maar drie vormen of gestalten kent. Met andere woorden, we komen in het woord ‘kerk’ (ekklēsia) tegen in drie betekenissen:

  1. In aansluiting bij het oudtestamentische woordgebruik wordt het woord gebruikt voor de ‘universele gemeente’ waartoe alle christenen behoren. Dit is bijvoorbeeld het geval in Efez.1:22-23,
    ‘Hij heeft alles aan zijn voeten gelegd en hem als hoofd over alles aangesteld, voor de kerk, die zijn lichaam is, de volheid van hem die alles in allen vervult.’
  2. Ten tweede wordt het gebruikt in de betekenis van ‘plaatselijke gemeente’, dat wil zeggen de gemeenschap van alle christenen in een bepaalde plaats of streek. In het begin was er natuurlijk geen onderscheid tussen de universele gemeente en de stadsgemeente te Jeruzalem (bv. Hand.5:11: ‘de gehele gemeente’). Maar al spoedig vernemen we naast ‘de gemeente van Jeruzalem’ (Hand.11:22), ook van een ‘gemeente door geheel Judea, Galilea en Samaria’ (Hand.9:31). Het gaat dan over stads- of streekgemeenten in een bepaald gebied.
  3. Ten derde is er sprake van een ‘gemeente aan huis’. In Rom.16:5 te Rome, in 1Kor.16:19 te Efeze (beide ten huize van Aquila en Priscilla, maar op verschillende tijdstippen), in Kol.4:15 te Laodicea bij zuster Nymfa aan huis en in Filem.2 te Kolosse bij Filemon. Van deze ‘gemeenten die op één plaats samenkomen’ waren er blijkbaar meer in één stad, zoals uit Rom.16:5 op te maken is. Dit is ook het geval in Hand.2:41-47, waar de minstens 3000 gelovigen te Jeruzalem kennelijk in minsten 100 kleine huisgemeenten samenkwamen.

Het is dus van belang dat wanneer we in het NT het woord ‘kerk’ tegenkomen, we uit de context moeten opmaken over welke betekenis het gaat. En als we spreken over oudsten in de kerk, over welke kerkvorm gaat het dan? Over welke ‘kerk’ hebben Paulus en de andere apostelen oudstan aangesteld? De eerste, de tweede of de derde? Dat onderscheid is natuurlijk wel van wezenlijk belang. De volgende keer meer hierover.

 

Auteur: Gijs van den Brink
Uit: StudieBijbel Magazine


Dit is deel 2 van 9 beknopte blog over het thema “Leiderschap van oudsten” uit StudieBijbel Magazine, waar we de komende tijd een gedeelte van online zullen plaatsen. We hopen dat je hierdoor de Bijbel beter gaat begrijpen!

 

Ga terug naar het artikeloverzicht

Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!