Lessen uit Openbaring: Symbolische uitleg

Deel 3 van 12 van het thema ‘Lessen uit Openbaring ’ door Gijs van den Brink

 

Het boek Openbaring is een moeilijk boek. In eerdere blogs zagen we dat dit komt, omdat het boek vanaf hoofdstuk vier een aaneenschakeling van visioenen bevat. De beelden zijn vaak moeilijk te begrijpen.
Een andere moeilijkheid is hoe we het boek moeten lezen? Als een profetie over wat in de toekomst zal gebeuren of zuiver geestelijk en symbolisch? We kunnen voornamelijk twee hoofdstromen onderscheiden, de symbolische of idealistische uitleg en historische interpretaties. De eerste bespreken we hier.

De symbolische visie, ook wel de Alexandrijnse genoemd heeft de kerk te danken aan kerkvader Origenes uit Alexandrië (3e eeuw). Zijn volgeling, de al eerder genoemde Dionysius van Alexandrië (gest. 265), leest het boek Openbaring als een aaneenschakeling van tijdloze allegorieën, een soort symbolen of metaforen. Bij de idealisten gaat het niet over concrete gebeurtenissen, maar over principes.

Men spreekt over de strijd tussen het Koninkrijk van God en het kwaad. Zo is het ‘Beest’ in Op.13 bijvoorbeeld niet een historische persoon of instantie, maar een beeld van de macht van satan. En de strijd bij Harmageddon is niet iets wat op aarde gebeurt, maar een ideologisch conflict tussen geloof en ongeloof. Zoals Origenes het OT vergeestelijkte, zo vergeestelijken de idealisten het boek Openbaring.

Na Constantijn de Grote in de 4e eeuw n.Chr. toen het christendom staatsgodsdienst werd, is deze uitleg in de traditionele staatskerken het meest geliefd geworden, want de kerk had geen behoefte meer aan een vertroosting voor moeilijke tijden. Men zag niet langer vol verlangen uit naar een spoedige komst van Christus. En er was zeker geen behoefte aan een visie waarbij de overheid het kwaad vertegenwoordigt!

Met de meerderheid van nieuwtestamentische exegeten wijzen we de grondgedachte van de idealistische uitleg af. Johannes is een profeet als de oudtestamentische profeten en evenals zij spreekt hij concreet over de geschiedenis van God met Zijn volk en de wereld. Zo concreet als Jeremia de ballingschap voorzag, zo concreet spreekt Johannes over de verschijning van de antichrist (het ‘beest’ Op.13) en de komst van Christus om te oordelen (Op.19). Als het laatste, de komst van Christus, wel historisch bedoeld is, zou dan het voorlaatste niet historisch bedoeld zijn?

Dit staat los van de vele symboliek die er in het boek voorkomt en dat je de beelden uit de visioenen natuurlijk niet letterlijk kunt nemen. Dit hebben we eerder al gezien. Dit geldt ook voor getallen als 144.000, 7 of 10. De kernvraag is voortdurend hoe beelden en gebeurtenissen zich verhouden.

 

De volgende keer bespreken de historische interpretatie.

 

 

 

 

 

Auteur: Gijs van den Brink
Uit: StudieBijbel Magazine


Dit is deel 3 van 12 beknopte blog over het thema “Lessen uit Openbaring” uit StudieBijbel Magazine, waar we de komende tijd een gedeelte van online zullen plaatsen. We hopen dat je hierdoor de Bijbel beter gaat begrijpen!

 

Ga terug naar het artikeloverzicht

Oudsten in het NT en vandaag

Deel 9 van 9 van het thema ‘Leiderschap van oudsten ’ door Gijs van den Brink

 

In deze serie lessen hebben we laten zien dat het verschil in leiderschap in de vroegere brieven van Paulus (zonder ‘oudsten’) en de latere (met ‘oudsten’) niet veroorzaakt wordt door een overgang van een organische naar een institutionele kerkstructuur. Het heeft te maken met een schaalvergroting, een overgang van de huisgemeente naar de gemeente op stads- of streekniveau.

Leiders die een functie hebben in de nieuwtestamentische gemeenten worden geen ‘oudste’ genoemd, maar eerder ‘opziener’. Opzieners worden aangesteld op stadsniveau, niet op het niveau van de (huis)gemeente die op één plaats samenkomt. Daar biedt de structuur van de grootfamilie (‘extended family’) voldoende kader.

Op de vraag waarom Paulus in zijn vroegere brieven niet veel meer uitlegt wat een ‘leider’ is, moeten we dan ook geen theologische of geestelijke reden zoeken, maar een sociologische. De rol van het gezinshoofd of familiehoofd was vanzelfsprekend; die rol behoefde geen uitleg. Zolang de gemeente bestond uit één huiskerk, bepaalde het huisgezin de leiderschapsstructuur. De gastheer was tevens de leider van de gemeente. Dit kon ook een vrouw zijn, zo bv. Nymfa (Kol.4:15), en mogelijk ook Lydia (Hand.16:14) en Phoebe (Rom.16:1v).

‘Oudsten’ zijn in de vroegchristelijke gemeente (zoals ook in de synagoge) door de gemeenschap gerespecteerde, meestal oudere wijze mannen (uit gerespecteerde families). ‘Oudste’ is geen functie, maar een status. Wanneer de kerk uitbreidt tot meerdere (huis)gemeenten in een stad of streek en er behoefte ontstaat aan leiderschap op stadsniveau, worden uit deze oudsten leiders (episkopoi, opzieners) gekozen om de stads- of streekgemeente te besturen.

Tot slot wil ik wijzen op twee grote verschillen tussen de kerk in de eerste eeuw en de kerk van vandaag. De huidige kerken zijn niet plaatselijk, maar per gezindte georganiseerd. Elke denominatie heeft eigen leiders. Paulus zou dit sterk hebben afgewezen, zoals blijkt uit 1Kor.1:10-13.

Ten tweede zijn de bestuurlijke ‘oudsten’ geen leiders op stads- of streek niveau, maar heeft elke plaatselijke kerk eigen oudsten. Vergeleken bij het Nieuwe Testament is de doorsnee plaatselijke kerk in het Westen behoorlijk overgeorganiseerd. Het paradigma van het gezin of de familie dat zo centraal staat in het NT is in onze kerken vaak maar moeilijk zichtbaar. Ze hebben qua structuur meer weg van een vereniging of een organisatie binnen de zorg- of onderwijssector.

Toch zie ik positieve ontwikkelingen. Onder invloed van de charismatische beweging en migranten uit Azië en Afrika is de westerse kerk in de twintigste eeuw veel dynamischer geworden. Bovendien heeft de oecumenische beweging sterk bijgedragen aan een wederzijds respect tussen de verschillende denominaties.
Mijn verwachting is dat naarmate de secularisatie van de christelijke cultuur in het westen verder gaat, de geloofsgemeenschappen meer de vorm zullen aannemen van de christelijke gemeenten in het Romeinse rijk van de eerste eeuw.

 

Auteur: Gijs van den Brink
Uit: StudieBijbel Magazine


Dit is deel 9 van 9 beknopte blog over het thema “Leiderschap van oudsten” uit StudieBijbel Magazine, waar we de komende tijd een gedeelte van online zullen plaatsen. We hopen dat je hierdoor de Bijbel beter gaat begrijpen!

 

Ga terug naar het artikeloverzicht

Oudsten in Antiochië

Deel 5 van 9 van het thema ‘Leiderschap van oudsten ’ door Gijs van den Brink

 

De vorige keer zagen we hoe ‘oudsten’ functioneerden in de christelijke gemeente in Jeruzalem. Het zijn geen oudsten van één plaatselijke gemeente, maar oudsten voor de hele stad, voor alle gelovigen in Jeruzalem. En dat waren wel 5000 gelovigen verspreid over minstens 150-165 huiskerken. Hoe was dat in steden en gebieden buiten Israël? Vandaag kijken we naar Antiochië in Syrië.

In Hand.14:23 gaat het over oudsten in Antiochië. Is de situatie hier te vergelijken is met die in Jeruzalem? In 14:23 zegt Lucas dat Paulus en Barnabas in allerlei plaatsen oudsten aanstelden of bevestigden kat’ ekklēsian (per gemeente). Dit staat in contrast met het elders gebruikte kat’ oikon (per huis, bijvoorbeeld in 2:46, Jeruzalem en 20:20, Efeze).

De omschrijving van de gemeente in 13:1 wijst er op dat Lucas hier spreekt over de Antiocheense gemeente in haar geheel en dat de daar genoemde profeten en leraren een erkenning genoten bij de hele gemeente. Ook de beschrijving van de werkzaamheden in Antiochië in Hand.11:19vv wijst in deze richting, namelijk dat al ten tijde van Paulus en Barnabas deze gemeente uit meerdere huisgroepen bestond (zoals in Jeruzalem). In een paar verzen wordt tot driemaal toe herhaald dat hier een groot aantal mensen tot geloof kwam (vs.21, 24, 26). Als Lucas in Jeruzalem over aantallen spreekt heeft hij het over 3000 en 5000 personen (2:41; 4:4). Het is daarom onmogelijk dat hij met een ‘groot aantal’ in Antiochië niet meer dan dertig, veertig personen zou bedoelen. Het is dan ook heel aannemelijk dat de in 13:1 genoemde mannen leiders van verschillende huisgemeenten zijn en dat zij gezamenlijk het leiderschap vormden wanneer de gelovigen te Antiochië kat’ ekklēsian bij elkaar kwamen. We mogen dus aannemen dat met ‘gemeente’ in 14:23 niet de huisgemeente bedoeld is, de gemeente die op één plaats samenkomt, maar de stadsgemeente, de gemeente in de zin van alle gelovigen in die stad. Over die stadsgemeente worden oudsten bevestigd.

Er is nog een tweede reden waarom Hand.13:1 van belang is om de werkzaamheden in 14:23 te begrijpen. In Hand.13 worden Paulus en Barnabas zelf uitgezegend onder handoplegging met bidden en vasten. In 14:23 gebeurt dit ook, maar nu zijn zij degenen die anderen de handen opleggen en zegenen. Deze sterke overeenkomst helpt ons ook om het woord cheirotoneo dat een heel breed betekenisveld heeft (kiezen [met handopsteking], selecteren, nomineren, aanwijzen, aanstellen, bevestigen [onder handoplegging])  hier op de juiste wijze te begrijpen. Tegen de joodse achtergrond van de plaats van oudsten als gerespecteerde wijze mannen binnen de gemeenschap, moeten we hier denken aan bevestigen en inzegenen, d.w.z het aan de Heer opdragen van deze mannen in hun verantwoordelijkheid van ‘oudsten’ van de christelijke gemeenschap op stadsniveau. De ‘oudsten’ worden dus niet gekozen of aangesteld, maar zijn vanwege hun leeftijd, status en bijdrage aan de gemeente naar voren gekomen en dat wordt nu door de rondreizende apostelen bevestigd.  Zoals Paulus en Barnabas zelf aan de Heer waren opgedragen voor hun reis, zo vertrouwen zij nu op hun beurt anderen toe aan de genade van God.

De volgende blogs zullen we ingaan op de situatie in Kreta en de wereldstad Efeze.

 

Auteur: Gijs van den Brink
Uit: StudieBijbel Magazine


Dit is deel 5 van 9 beknopte blog over het thema “Leiderschap van oudsten” uit StudieBijbel Magazine, waar we de komende tijd een gedeelte van online zullen plaatsen. We hopen dat je hierdoor de Bijbel beter gaat begrijpen!

 

Ga terug naar het artikeloverzicht

Oudsten in Jeruzalem

Deel 4 van 9 van het thema ‘Leiderschap van oudsten ’ door Gijs van den Brink

 

De vorige keer eindigden we met de vraag: in welke kerk worden oudsten aangesteld. In de huiskerk? Of over een groep van huiskerken in een bepaalde stad of regio? Of in de universele kerk?

De eerste keer dat er wordt gesproken over verantwoordelijke oudsten in de christelijke gemeente is in Hand.11:29-30: ‘De leerlingen besloten dat de broeders en zusters in Judea ondersteund moesten worden. Ze droegen elk naar vermogen bij en lieten hun gift door Barnabas en Saulus naar de oudsten brengen’. Er wordt hier gesproken over de aanwezigheid van (christelijke) ‘oudsten’ in Jeruzalem.

Het is opmerkelijk dat er niet meer alleen over de apostelen wordt gesproken (vgl. 4:34,37), maar ook over ‘de oudsten’. Enerzijds behoren de apostelen natuurlijk ook tot ‘de oudsten’. Petrus noemt zichzelf  bijvoorbeeld ‘medeoudste’ (1Petr.5:1) en ook de apostel Johannes noemt zichzelf ‘oudste’ (2 Joh.1). Anderzijds blijkt uit Hand.15:2,4,6,22,23; 16:4 dat er naast de apostelen ook oudsten waren, waarvan Jakobus, de broer van Jezus, de eerste was (vgl. 15:13; 21:18; Gal.2:9).

Over de aanstelling van deze oudsten bericht Lucas ons niet. Waarom dit niet gebeurt wordt duidelijker als we beseffen dat het bij de gemeente in Jeruzalem niet om een gemeente gaat die op één plaats samenkomt (een samenkomst aan huis of in een zaal), maar om de stadsgemeente in de zin van alle gelovigen in Jeruzalem.

 

Netwerk van dagelijkse samenkomsten

Hier moeten we iets zeggen over de structuur en aard van de gemeente in Jeruzalem. Het was een netwerk van kleine gemeenschappen met dagelijkse samenkomsten. In Hand.2:46 lezen we: ‘Elke dag kwamen ze [de gelovigen] trouw en eensgezind samen in de tempel, braken het brood bij elkaar thuis en gebruikten hun maaltijden in een geest van eenvoud en vol vreugde’ (zie ook Hand. 1:13; 4:32-35; 5:42; 12:12).

De gelovigen in Jeruzalem ontmoetten elkaar dagelijks aan huis. Wat ze dan deden lezen we in vers 42: ‘Ze bleven trouw aan het onderricht van de apostelen, vormden met elkaar een gemeenschap, braken het brood en wijdden zich aan het gebed’.

Op grond van archeologisch onderzoek mogen we aannemen dat er gemiddeld 30 mensen per huis konden samenkomen. In dat geval betreft het dus minstens 165 huizen, want er waren in Jeruzalem en omstreken 5000 gelovigen (Hand. 4:4).

Wanneer we in het boek Handelingen dus lezen over ‘oudsten’ in Jeruzalem, die samen met de apostelen worden genoemd, betreft het dus de verantwoordelijke oudsten van een stadsgemeente ofwel van alle gelovigen in Jeruzalem en omstreken. Het gaat hier niet over oudsten van één lokale (huis)kerk.

Tegen de achtergrond van de oudsten in de joodse gemeenschap hoeven we er niet aan te twijfelen dat ook in de christengemeenschap van Jeruzalem de oudsten die hier genoemd worden de meest gerespecteerde oudere broeders zijn uit diverse huisgemeenten.

De volgende blogs zullen we ingaan op de situatie in Antiochië, Kreta en Efeze.

 

Auteur: Gijs van den Brink
Uit: StudieBijbel Magazine


Dit is deel 4 van 9 beknopte blog over het thema “Leiderschap van oudsten” uit StudieBijbel Magazine, waar we de komende tijd een gedeelte van online zullen plaatsen. We hopen dat je hierdoor de Bijbel beter gaat begrijpen!

 

Ga terug naar het artikeloverzicht

Oudsten in de kerk. Welke kerk?

Deel 2 van 9 van het thema ‘Leiderschap van oudsten ’ door Gijs van den Brink

 

De vorige keer spraken we over de oudsten in de synagoge. We zagen dat deze oudsten niet de leidinggevenden in de synagoge waren, maar oudsten van het dorp of de stad. Daarmee waren zij voor veel meer verantwoordelijk dan alleen de plaatselijke synagoge.

Vandaag kijken we naar de kerk in het Nieuwe Testament. Wat bedoelen de apostelen wanneer ze over de ‘kerk’ spreken? Het blijkt dat ze hiermee niet altijd hetzelfde bedoelen. Er is al een halve eeuw een consensus dat het begrip ekklēsia (kerk, gemeente) in het Nieuwe Testament niet twee, maar drie vormen of gestalten kent. Met andere woorden, we komen in het woord ‘kerk’ (ekklēsia) tegen in drie betekenissen:

  1. In aansluiting bij het oudtestamentische woordgebruik wordt het woord gebruikt voor de ‘universele gemeente’ waartoe alle christenen behoren. Dit is bijvoorbeeld het geval in Efez.1:22-23,
    ‘Hij heeft alles aan zijn voeten gelegd en hem als hoofd over alles aangesteld, voor de kerk, die zijn lichaam is, de volheid van hem die alles in allen vervult.’
  2. Ten tweede wordt het gebruikt in de betekenis van ‘plaatselijke gemeente’, dat wil zeggen de gemeenschap van alle christenen in een bepaalde plaats of streek. In het begin was er natuurlijk geen onderscheid tussen de universele gemeente en de stadsgemeente te Jeruzalem (bv. Hand.5:11: ‘de gehele gemeente’). Maar al spoedig vernemen we naast ‘de gemeente van Jeruzalem’ (Hand.11:22), ook van een ‘gemeente door geheel Judea, Galilea en Samaria’ (Hand.9:31). Het gaat dan over stads- of streekgemeenten in een bepaald gebied.
  3. Ten derde is er sprake van een ‘gemeente aan huis’. In Rom.16:5 te Rome, in 1Kor.16:19 te Efeze (beide ten huize van Aquila en Priscilla, maar op verschillende tijdstippen), in Kol.4:15 te Laodicea bij zuster Nymfa aan huis en in Filem.2 te Kolosse bij Filemon. Van deze ‘gemeenten die op één plaats samenkomen’ waren er blijkbaar meer in één stad, zoals uit Rom.16:5 op te maken is. Dit is ook het geval in Hand.2:41-47, waar de minstens 3000 gelovigen te Jeruzalem kennelijk in minsten 100 kleine huisgemeenten samenkwamen.

Het is dus van belang dat wanneer we in het NT het woord ‘kerk’ tegenkomen, we uit de context moeten opmaken over welke betekenis het gaat. En als we spreken over oudsten in de kerk, over welke kerkvorm gaat het dan? Over welke ‘kerk’ hebben Paulus en de andere apostelen oudstan aangesteld? De eerste, de tweede of de derde? Dat onderscheid is natuurlijk wel van wezenlijk belang. De volgende keer meer hierover.

 

Auteur: Gijs van den Brink
Uit: StudieBijbel Magazine


Dit is deel 2 van 9 beknopte blog over het thema “Leiderschap van oudsten” uit StudieBijbel Magazine, waar we de komende tijd een gedeelte van online zullen plaatsen. We hopen dat je hierdoor de Bijbel beter gaat begrijpen!

 

Ga terug naar het artikeloverzicht

Oudsten in de synagoge

Deel 1 van 9 van het thema ‘Leiderschap van oudsten ’ door Gijs van den Brink

 

Doorgaans worden de leiders in de vroege kerk ‘oudsten’ genoemd. Wie waren deze ‘oudsten’ en wat was hun verantwoordelijkheid? Zijn ze te vergelijken met ‘ouderlingen’ of ‘oudsten’ in onze kerken of ligt dit anders? In de meeste studies waar het onderwerp wordt behandeld, lees je dat het idee van ‘oudsten’ als leiders door Paulus en anderen is overgenomen van de synagoge . En men gaat er dan vanuit dat al in de tijd van het NT elke groep christenen die op zondag ergens samenkwam geleid werd door oudsten, die voor deze functie waren aangesteld. In deze en volgende blogs willen we de teksten in het NT nalopen om te zien of deze voorstelling van zaken juist is of niet. Omdat deze voorstelling uitgaat en afhankelijk is van de praktijk in de joodse synagoge, willen we daar eerst naar kijken.

Er wordt in het traditionele model zondermeer vanuit gegaan dat de oudsten in de synagoge een functie bekleedden. Dit blijkt echter niet zo te zijn. E. Schürer meldt eind 19e eeuw al in zijn vijfdelige geschiedenis van het Joodse volk dat de synagoge onder toezicht stond van de oudsten in de joodse gemeenschap, maar dat de synagoge wat betreft het dagelijks bestuur werd geleid door de archisunagōgos (het hoofd, verantwoordelijk voor de orde van dienst) en de hupēretēs (dienaar, helper, assistent, die o.a. voor de ruimte zorgde en de kinderen onderwees). Hierover is al een halve eeuw overeenstemming onder wetenschappers,  zoals verwoord door M.H. Shepherd in de breed geaccepteerde Interpreter’s Dictionary of the Bible: “Jewish elders were not responsible for worship in the synagogue, though they enjoyed seats of honour at the synagogue assemblies. Doubtless the synagogue rulers were frequently elected from among their number” (IDB II, 72).  De ‘oudsten’ waren door de gemeenschap gerespecteerde, meestal oudere wijze mannen (uit gerespecteerde families) die verantwoordelijk waren voor het reilen en zeilen van de gemeenschap (en dus ook, maar zeker niet alleen, van de synagoge). Dit is het eerste heilige huisje wat omvalt. Dat dit ook in het NT herkenbaar is en consequenties heeft voor de betekenis van de dienst van oudsten, zullen we in de volgende blogs gaan zien.

Auteur: Gijs van den Brink
Uit: StudieBijbel Magazine


Dit is deel 1 van 9 beknopte blog over het thema “Leiderschap van oudsten” uit StudieBijbel Magazine, waar we de komende tijd een gedeelte van online zullen plaatsen. We hopen dat je hierdoor de Bijbel beter gaat begrijpen!

 

Ga terug naar het artikeloverzicht

Kerk en politiek

Deel 4 van 5 van het thema ‘Christen en politiek’ door Gijs van den Brink

 

In het Grieks buiten de sfeer van het NT is ekklesia het gewone woord voor de bijeengeroepen vergadering van alle burgers in een stad, voor politieke doeleinden. In deze zin komen we het tegen in Handelingen 19, waar Lucas spreekt over de ‘volksvergadering’ van Efeze (vs. 32,39,40). Als dit woord in het NT ook gebruikt wordt voor de ‘vergadering’ van gelovigen, de kerk, moeten we dus bedenken dat dit woordgebruik geen religieuze, maar een politieke klank had en primair de feitelijke vergadering, het concrete samenkomen aangeeft.

De eerste christenen kwamen samen in gewone huizen, daar waar men leefde en werkte en men noemde het samenzijn niet de christelijke tempel of de christelijke synagoge, maar men duidde het met de term ekklesia, een politieke term.

Stanley Hauerwas en sedertdien velen na hem nemen Fil.3:20 als uitgangspunt en stellen dat de christelijke gemeenschap geen politieke of sociale strategie hééft, maar ís. Hij ziet de politieke hoofdtaak van de kerk niet in de persoonlijke verandering van de individuele mens of het verbeteren van de maatschappij, maar in het vormen van een model-samenleving, een christelijke gemeenschap als het radicale alternatief. Plaatsen waar mensen trouw zijn in hun relaties, hun vijanden liefhebben, de waarheid vertellen, de armen ondersteunen en zo getuigen van de verbazingwekkende levens-veranderende kracht van God en het nieuwe leven door Jezus Christus. Dit is volgens hen de belangrijkste politieke bijdrage van de kerk aan de wereld. Ik vind dit een prachtige verwoording en toepassing van Fil.3:20 (over de hemelse kolonie), waar we de vorige keer over spraken.

Dan hoor ik iemand denken en zeggen: moeten christenen dan niet proberen de maatschappij te veranderen? Moeten zij dan niet proberen via politieke bestuursfuncties hun verantwoordelijkheid te nemen? Zeker, en die vrijheid is er gelukkig ook in een democratisch land als Nederland. Die vrijheid hebben wij als Nederlands staatsburger, maar die vrijheid was er niet in het Romeinse rijk in de tijd van de apostelen. En die vrijheid is er ook niet in veel landen in onze tijd, zoals China of Iran. Maar de politieke betekenis in de zin van een voorbeeldfunctie kan in alle politieke systemen nagestreefd worden.

 

Auteur: Gijs van den Brink
Uit: StudieBijbel Magazine


Dit is deel 4 van 5 beknopte blog over het thema “Christen en politiek” uit StudieBijbel Magazine, waar we de komende tijd een gedeelte van online zullen plaatsen. We hopen dat je hierdoor de Bijbel beter gaat begrijpen!

Ga terug naar het artikeloverzicht

Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!